Posts tonen met het label pedagogiek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label pedagogiek. Alle posts tonen

maandag 23 mei 2011

Hij is er!!

Na lang wachten is hij dan eindelijk klaar: het pedagogisch kader voor de BSO! De onofficiële versie ligt al een tijdje (gelezen en wel) op mijn bureau en daar was ik al enthousiast over. Maar een écht boek is natuurlijk wel het allermooist. Ik zou bijna zeggen: eindelijk gerechtigheid! 

De BSO is een volwaardige opvangvorm maar toch heb ik vaak het gevoel dat ze minder serieus genomen wordt dan het KDV. De pm'er wordt door buitenstaanders (en zelfs door ouders) niet zelden gezien als een soort 'veredelde oppas'. Ook merk ik dat bijvoorbeeld docenten in het basisonderwijs nog al eens met een wat neerbuigende houding tegenover ons staan. Ik ben absoluut trots op mijn beroep maar toch maken deze dingen me soms onzeker. Volgens mij is dit boek een prima tool om het zelfvertrouwen van de pm'er in de BSO wat op te vijzelen. Daarnaast biedt het natuurlijk een schat aan praktische en inspirerende informatie. Ik hoop dan ook van harte dat iedereen hem zal gaan lezen!


Pedagogisch medewerkers in de buitenschoolse opvang spelen een belangrijke rol in het leven van de kinderen die gebruikmaken van de opvang. De medewerkers vormen een voorbeeld, vraagbaak en veilige haven na een drukke schooldag. Het 'Pedagogisch kader kindercentra 4-13' jaar biedt pedagogisch medewerkers een overzicht van alle kenmerken van goede en leuke buitenschoolse opvang (BSO). Het Nederlands Jeugdinstituut schreef het pedagogisch kader samen met het Kohnstamm Instituut Amsterdam, in opdracht van Stichting Bureau Kwaliteit Kinderopvang (BKK).
Het pedagogisch kader bestaat uit vier onderdelen:

  • Pedagogische kennis: wat hebben kinderen nodig?
  • Pedagogische doelen: wat willen we bereiken?
  • Pedagogische middelen: wat doen we in de buitenschoolse opvang?
  • Profielen: wat doen we in de thematische buitenschoolse opvang?
De eerste twee delen van het boek zijn theoretisch van aard. De praktijkgedeelten 3 en 4 bevatten informatie over de uitvoering.

‘Dit gedegen vervolg op het Pedagogisch kader kindercentra 0-4 jaar beschrijft op overtuigende wijze de eigen pedagogische positie van de BSO naast gezin en school. Het is een inspirerend houvast voor de pedagogisch medewerkers.’
- Tineke Linssen  (Voorzitter Landelijk Pedagogenplatform Kindercentra)
 ‘Met het verschijnen van het Pedagogisch kader kindercentra 4-13 jaar wordt recht gedaan aan het belangrijke werk van de professionele medewerkers in de BSO.
- Louis Tavecchio, hoogleraar kinderopvang Universiteit van Amsterdam

zondag 15 mei 2011

Het kind heeft 100 talen

Alle kinderen beschikken over honderd talen om zich uit te drukken. Naast de spreektaal kunnen kinderen zich uiten in klanken, beweging, kleuren, schilderen, bouwen, boetseren en zoveel meer. Ieder kind is vanaf zijn geboorte rijk aan mogelijkheden, krachtig en creatief. Vanuit deze uitgangspunten werken pedagogen en kunstenaars in kindercentra van Reggio Emilia al tientallen jaren dagelijks samen met jonge kinderen in het onderzoeken en het met elkaar uitwisselen van ideeën, gedachten, ervaringen, hypotheses, herinneringen, dromen en theorieën. Malaguzzi was pedagoog en charismatisch en bevlogen idealist. Hij ontmoette in 1945 enkele ouders in Reggio Emilia die zelf een kleuterschool wilden oprichten. Dit werd de basis van waaruit Malaguzzi zijn pedagogische ideeën kon ontwikkelen. Tijdens de bouw van deze school raakte Loris Malaguzzi nauw betrokken bij de school en hij sloot zich uiteindelijk ook aan bij het gemotiveerde en energieke team dat deze school runde. Loris Malaguzzi verdiepte zich in vele pedagogische visies, maar vond er niet één die helemaal aansloot op het onderwijs aan het jonge kind. Geïnspireerd door verschillende visies gecombineerd met zijn eigen ideeën en de praktijk, ontwikkelde hij een eigen pedagogiek, de pedagogiek van Reggio Emilia. In deze pedagogiek ligt de nadruk op: "wat kinderen kunnen en zijn". In 1963 opende Malaguzzi de eerste voorschool in Reggio Emilia. De visie van Malaguzzi is inmiddels decennia lang doorontwikkeld in het voorschoolse onderwijs en wordt in Reggio Emilia nog steeds vernieuwd en gemoderniseerd. Inmiddels werken in Reggio Emilia drieëndertig peuter- en kleuterscholen volgens zijn principe werken. De onderwijsvorm van Reggio Emilia bleef ook na de dood van Malaguzzi in 1994 constant in verandering door verdieping en moderne inspiraties. Malaguzzi schreef dit inspirerende en wereldberoemde gedicht.

Zeker. De honderd is er wél

Het kind bestaat uit honderd
Het kind heeft
honderd talen
honderd handen
honderd gedachten
honderd manieren van denken,
van spelen, van spreken.
Honderd, altijd weer honderd
manieren van luisteren
verwonderen en liefhebben
honderd vreugden
om te zingen en te begrijpen
honderd werelden
om te ontdekken
honderd werelden
om uit te vinden
honderd werelden
om te dromen.
Het kind heeft
honderd talen
(en honderd honderd honderd meer)
Maar ze pakken er negenennegentig af.
De school en de samenleving
scheiden het hoofd van het lichaam.
Zij zeggen tegen het kind:
dat hij zonder handen moet denken
zonder hoofd moet handelen
moet luisteren en niet praten
moet begrijpen zonder vreugde
alleen met Pasen en Kerstmis
mag liefhebben en verwonderen.
Ze zeggen tegen het kind:
ontdek de wereld die er al is
en van de honderd
pakken ze er negenennegentig af.
Ze zeggen tegen het kind
dat werk en spel
realiteit en fantasie
wetenschap en verbeelding
hemel en aarde
verstand en droom
dingen zijn
die niet bij elkaar horen.
En dus vertellen ze het kind
dat de honderd er niet is.
Het kind zegt:
Zeker: de honderd is er wél.

Loris Malaguzzi, pedagoog van Reggio Emilia

SPOREN pedagogiek

In de VVPM-opleiding zijn we momenteel bezig met het onderwerp Reggio Emilia en de Nederlandse stroming die hierop gebaseerd is: SPOREN. Hieronder een stuk achtergrondinformatie.

SPOREN is de afkorting van Stichting Pedagogiek Ontwikkeling Reggio Emilia Nederland en kan ook gezien worden als metafoor van de werkwijze. Deze benadering van voor- en vroegschoolse educatie is geïnspireerd en gebaseerd op de pedagogische filosofie uit Reggio Emilia, maar ontwikkeld in samenwerking met en voor o.a. de Nederlandse kinderopvang. SPOREN is gericht op een brede en samenhangende ontwikkeling van de verschillende competenties waarover kinderen beschikken en gaat uit van de kracht, creativiteit en intelligentie en de hónderd talen van álle kinderen. Het dagelijks kijken en luisteren, het onderzoeken en documenteren vormen de basis van het pedagogisch werk. SPOREN is geen methode maar een integrale pedagogiek met een systematische werkwijze. Alle kinderen, leerkrachten, ouders, buurten en culturen zijn immers verschillend. Het leren kennen, zichtbaar en bespreekbaar maken van deze diversiteit staat bij SPOREN centraal. Door dagelijks te kijken en te luisteren naar de kinderen en door middel van pedagogische documentatie vast te leggen wat zij doen, maken en zeggen, worden de leerprocessen van de kinderen zichtbaar en bespreekbaar. Op basis van deze documentatie wordt een aanbod ontwikkeld dat nauw aansluit bij de vragen en ideeën van de kinderen, de ouders en de begeleiders in de groep. 
Sporen is ontwikkeld als integrale pedagogische benadering van alle kinderen in de leeftijd van 0 tot 7 jaar in kinderopvang, peuterspeelzalen en de eerste twee groepen van het basisonderwijs.
  • Uit onderzoek blijkt dat cognitieve en taalachterstanden effectiever worden bestreden door een integrale benadering van ontwikkeling; cognitieve, sociaal-emotionele en andere aspecten zijn van invloed op elkaar.
  • Een actieve betrokkenheid van ouders zorgt voor een goede aansluiting tussen school en gezin; de continuïteit tussen beide milieus biedt veiligheid en herkenning, wat een positieve invloed heeft op de ontwikkeling van de kinderen. Voor Sporen is de betrokkenheid van ouders essentieel. De werkwijze biedt hieraan dagelijks actief aandacht.
  • Aandacht voor communicatie, ook in andere talen dan de gesproken taal, blijkt voor kinderen met een andere moedertaal enorm goed te werken. Het kindercentrum of de school wordt vanaf het eerste begin een plek waar het belangrijk gevonden wordt wat je te vertellen hebt, door tekeningen, spel, geluid, bouwwerken en ook de gesproken taal. De motivatie om te communiceren is zo groot dat de gesproken en later de geschreven taaluitingen zich als vanzelf aandienen.

De basis van de pedagogische benadering van SPOREN is een krachtig kindbeeld. Kinderen zijn competent. Zij zijn nieuwsgierig en leergierig. Vanaf hun geboorte zijn zij uit op communicatie. Kennisopbouw begint bij motivatie. Verdieping van het leren begint bij de intrinsieke motivatie van de kinderen; aanknopingspunt voor leerprocessen is steeds datgene wat de kinderen bezighoudt en interesseert.

De kern van de werkwijze is de pedagogische documentatie. Deze maakt de leerprocessen van de kinderen zichtbaar en daardoor bespreekbaar voor de leidsters, maar ook voor de kinderen én voor hun ouders. De leidsters zijn de onderzoekers en documentalisten van het educatieproces. Zij leggen de verschillende stappen in de leerprocessen vast in beeld en op schrift, hiervoor maken zij gebruik van speciaal ontwikkelde instrumenten. Door de kinderen dit materiaal terug te geven, wordt reflectie op de eigen leerprocessen mogelijk. De pedagogische documentatie is het startpunt, het werkmateriaal en het middel om de leerprocessen van de kinderen te verdiepen en op een complexer niveau te brengen.

Kinderen leren het meest van elkaar; zij zijn elkaars eerste pedagoog. De grote ontwikkelingstaak van jonge kinderen is het bouwen aan een eigen identiteit. Dat doen zij in wisselwerking met andere kinderen, met volwassenen en met de wereld om hen heen. Daarom is er veel aandacht voor het werken, spelen, leren in kleine groepjes. Kinderen ontwikkelen zich in en door communicatie, zij leren door het uiten en het uitwisselen van ideeën, gedachten en gevoelens en het gezamenlijke proces van betekenis geven. Kinderen kunnen zich in potentie uitdrukken op honderd manieren, in honderd talen: dans, muziek, drama, klei, op papier, et cetera. Elke taal heeft zijn eigen zeggingskracht en mogelijkheden. De stimulering van deze talen naast de gesproken en geschreven taal verrijkt de mogelijkheden tot communicatie en uitwisseling, tot leren. Het ontwikkelen van deze talen wordt daarom gezien als middel om te leren en heeft niet als doel kunstdisciplines te beoefenen.

De volwassenen zijn de tweede pedagoog. In de groep wordt (ten minste een deel van de tijd) een tweede leidster ingezet. In de ideale situatie is dit iemand met een kunstzinnige achtergrond. De leidsters dragen niet primair kennis over maar zetten hun kennis en ervaring in ten dienste van de ontwikkeling van de kinderen. De pedagogische documentatie vormt hierbij een onmisbaar hulpmiddel. Op basis van de pedagogische documentatie reflecteren de leidsters gezamenlijk op de leerprocessen van de kinderen en bedenken zij nieuwe plannen en impulsen. Deze plannen sluiten altijd aan bij de vragen en ideeën van de kinderen zelf. De leidsters formuleren hypothesen over de achtergronden van de vragen en ideeën om deze in een meer algemeen kader te kunnen plaatsen, om op een abstracter niveau daaruit principes te distilleren die in andere contexten kunnen worden vorm gegeven. Zo worden openingen gecreëerd voor diepgaander, complexer leren. Dat kan de vorm krijgen van een ‘project’ rond een onderwerp.

De ruimte en de aangeboden materialen hebben een eigen pedagogische waarde. Zij zijn als het ware de derde pedagoog. Zo correspondeert de indeling van de ruimte met verschillende ontwikkelingsdomeinen, en zijn er verschillende hoeken ingericht. De inrichting van de ruimte en het aanbod van materialen worden afgestemd op de onderwerpen die de kinderen bezighouden en zijn zodoende steeds in ontwikkeling. De materialen nodigen uit tot spelen, maken en leren. Kinderen leren het materiaal waarmee zij werken en elkaars producten te waarderen en te respecteren. De pedagogische documentatie heeft een eigen, vaste plek in de ruimte. Zo vertelt de inrichting van de groepsruimte wie er werken, spelen en leren.

Door het zorgvuldig kijken en luisteren naar de kinderen wordt duidelijk welke onderwerpen de kinderen bezighouden. Het betreft bijna altijd de interesses van groepjes kinderen, zelden van de hele groep. Er spelen dus voortdurend verschillende kleine of grote onderwerpen naast elkaar. Soms duren deze een week, soms maanden. Het betreft zowel heel concrete onderwerpen, zoals de vogels in de tuin, als meer abstracte onderwerpen als drijven en zinken. De leidsters volgen de onderwerpen waar de kinderen mee bezig zijn en verdiepen deze door het maken van pedagogische documentatie en het geven van materialen en nieuwe impulsen. Per dag maken de leidsters een nieuw plannen om met kinderen rond een onderwerp te werken, spelen, leren. Op basis van de dagelijkse pedagogische documentatie worden vervolgens nieuwe plannen voor de volgende dag gemaakt. Intussen blijft men open staan voor de concrete situaties in de groepen. Plannen worden bijgesteld. Zo kan een onderwerp gaandeweg verbreed en verdiept worden, zonder dat van te voren vast staat hoe rond het onderwerp gewerkt wordt. Op deze wijze schrijdt het curriculum voort.

Behalve maatschappelijk ontwikkelingen, dwingen ook moderne pedagogische en ontwikkelingspsychologische inzichten tot vernieuwing van opvoeding. De Reggio-benadering en zo ook SPOREN is gebaseerd op theorieën van diverse ontwikkelingspsychologen en pedagogen zoals Gardner, Piaget, Freinet, Vygotsky. Ook postmoderne cultuur- en kennistheorieën, inzichten uit de moderne neuropsychologie en van bijvoorbeeld kunsthistorici, dichters, auteurs en architecten vormen een inspiratiebron. In deze theorieën worden opvoeding en ontwikkeling opgevat als transactionele processen, waarin kinderen actief participeren. Kinderen geven zelf mede vorm aan hun eigen ontwikkeling en opvoeding, ook (zeer) jonge kinderen. Het concept van overdracht van vaststaande kennis is daarmee achterhaald. Dat geldt ook voor het traditionele denken over ontwikkeling als een lineair proces. Ontwikkeling wordt veeleer opgevat als een proces van sprongsgewijze veranderingen, van hollen, stilstaan en teruggrijpen, dat bovendien wordt beïnvloedt door een veelheid van factoren. Ten slotte wordt ontwikkeling beschouwd als motor en resultaat van intrapsychische dynamiek. Zo is cognitieve ontwikkeling bijvoorbeeld gebaat bij een evenwichtige sociale en emotionele ontwikkeling en bij de ontwikkeling van onder meer fantasie en motoriek. Overeenkomstig deze concepten veranderen het kindbeeld en het leerconcept. Kinderen worden gezien als actief, sociaal en competent. Jonge kinderen bouwen eigen theorieën op, zij abstraheren, reflecteren, stellen hypothesen op en onderzoeken en verifiëren die, zij zoeken actief naar betekenissen en verlenen betekenis. Jonge kinderen zijn in potentie in staat om zich uit te drukken op velerlei wijzen en te communiceren over hun ideeën, gedachten en gevoelens. Dit krachtige kindbeeld is het fundament waarop de Reggio-benadering en in het verlengde daarvan ook SPOREN, worden opgebouwd. De theorieën en verhalen die de kinderen in samenwerking vormen en de processen waarin zij dit doen, zijn belangrijker dan het aanleren van reeds geverifieerde volwassen kennis. SPOREN stimuleert de kinderen om samen vragen te onderzoeken om weer tot nieuwe vragen te komen.
Bron & meer informatie: www.pedagogiekontwikkeling.nl 

donderdag 27 januari 2011

VIB in het pedagogisch ontwikkeltraject

We communiceren wat af met elkaar. Deels bewust maar voor een groot deel ook onbewust. Met je lichaam geef je voortdurend allerlei signalen af, door je houding, je mimiek, de manier waarop je beweegt. En dan heb je nog niet eens je mond open gedaan! Denk eens aan je stem; de intonatie, het volume, stemgeluid. Door je van al deze dingen bewust te worden, kun je ook bewuster communiceren. Dit is een belangrijk inzicht uit de P.O.T. training die ik volg met mijn team. Met behulp van Video Interactie Begeleiding nemen we onze eigen manier van communiceren onder de loep.


Komt er iemand op je vingers kijken
De eerste keer was wel spannend hoor. Er loopt iemand rond op de groep met een camera die precies volgt wat jij en de kinderen doen en hoe de één op de ander reageert. En naderhand ga je de beelden terug kijken. Hoe confronterend zal dat zijn? Viel allemaal reuze mee! Ik had eerlijk gezegd niet eens in de gaten dat de VIB’er er was omdat ze heel onopvallend te werk ging en ik gewoon met mijn werk bezig was. Doordat de kinderen waren voorbereid op de komst van de VIB’er, besteedden zij ook niet al te veel aandacht aan de camera. Al blijven sommige kinderen zoiets natuurlijk machtig interessant vinden.



Een beeld zegt meer dan duizend woorden
Het terugkijken was ontzettend leuk en verhelderend. In de eerste bijeenkomst richtten we ons vooral op de contactinitiatieven van kinderen: hoe wij deze ontvangen, verbaal en non-verbaal, en hoe het kind of de groep hierop reageert. Ook keken we naar hoe kinderen gebruik maken van de ruimte. Hieruit bleek bijvoorbeeld dat er veel behoefte is aan grofmotorische activiteit (vooral onder de jongens tussen 4 en 8 jaar) maar dat er binnen geen mogelijkheid toe wordt geboden. De pm’ers wijzen de kinderen er voortdurend op dat er niet gerend en geschreeuwd mag worden, dat kinderen van elkaar af moeten blijven. Eigenlijk proberen ze hiermee een belangrijke behoefte te onderdrukken of om het nog wat dramatischer te stellen: een ontwikkelingstaak van een kind te belemmeren. In een sector waarin het kind centraal staat, kan dat natuurlijk niet de bedoeling zijn.

Hier kunnen we iets mee!
Het leuke aan de training is dat het zo naadloos aansluit op de praktijk en dat je meteen met nieuwe inzichten aan de slag kunt. Met behulp van de pedagogische doelen, de ontwikkelingsgebieden uit het spinmodel en de communicatiecirkel kun je bovendien elke stap verantwoorden. Doordat de nadruk bij het terugkijken ligt op succesvolle interactie-momenten leer je deze herkennen en uitbouwen. Het is fijn dat de VIB’er ervan uitgaat dat de pm’er al over veel kennis en vaardigheden beschikt. We hoeven in principe weinig nieuws te leren en geen dikke boeken te bestuderen, maar leren door kijken en luisteren hoe we meer en beter gebruik kunnen maken van wat we al weten en kunnen. En wat ook niet onbelangrijk is: het hoeft niet tot grote, ingrijpende veranderingen te leiden. Kleine aanpassingen kunnen grote effecten hebben zoals oogcontact maken en toewenden, positief formuleren van afspraken, voorbereiden of inspelen op alles wat anders is dan normaal, sensitief reageren, structuur bieden of de groep betrekken bij een contactinitiatief van een individueel kind. Tot nu toe vind ik de VIB een zinvol instrument waarmee je in weinig tijd veel kunt bereiken en waarin je heel actief betrokken wordt. Uiteindelijk ben je als pm’er zelf je belangrijkste instrument.

zondag 23 januari 2011

How2talk2kids

Soms vind ik zulke leuke of interessante dingen (spelmateriaal, activiteiten en heel veel boeken) dat ik het jammer vind dat ik zelf (nog) geen kind heb. Wanneer een vreemde me vraagt of ik kinderen heb, antwoord ik vaak “ja, een stuk of tachtig”, want zo voelt het toch een beetje. Het zijn wel niet echt mijn kinderen maar het zijn stuk voor stuk wezentjes waar ik me verantwoordelijk voor voel en een bepaalde band mee heb. Zelfs al zie ik sommigen maar een paar uurtjes per week. Ze vormen een belangrijk onderdeel van mijn dagelijks leven. Een prima excuus voor al die leuke en boeiende dingetjes, toch?

Een andere manier van communiceren met kinderen
Voorbeeldje: het boek ‘how2talk2kids’ van Adele Faber en Elaine Mazlish. Een praktische handleiding voor effectief en respectvol communiceren met kinderen. De methode is ontstaan in de jaren ’70 en gebaseerd op de theorieën van klinisch psycholoog Haim Ginott. Hij benoemt een aantal vaardigheden voor opvoeders die ervoor kunnen zorgen dat het kind meer verantwoordelijkheid neemt voor zijn gedrag en leert om zelf oplossingen te bedenken.
 
  • Ontken of negeer de gevoelens van een kind nooit.
  • Alleen het gedrag wordt gezien als onacceptabel, niet het kind zelf.
  • Depersonaliseer negatieve interactie door alleen het probleem te benoemen (“ik zie een rommelige kamer”) in plaats van te (ver)oordelen.
  • Verbind regels aan dingen (“andere kinderen zijn niet om te slaan”).
  • Afhankelijkheid is een voedingsbodem voor vijandigheid, laat kinderen zelf doen wat ze zelf kunnen.
  • Kinderen moeten leren kiezen, in eerste instantie uit beperkte opties (“wil je vandaag je rode of je blauwe trui aan?”).
  • Beperk kritiek tot een specifieke gebeurtenis en gebruik geen woorden als ‘nooit’ of ‘altijd’ (“je luistert nooit” of  “je knoeit altijd”).
  • Gebruik geen woorden waarvan je niet wilt dat je kind ze herhaalt.
  • Wanneer je houding vijandig is, zullen de door jou genoemde feiten niet overtuigend zijn voor het kind.
  
Dr. Haim Ginott (1922-1973)
Meer zelfvertrouwen en een positiever zelfbeeld
Ginott was naast psycholoog ook kindertherapeut en coach van oudergroepen. Hij leerde opvoeders om kritiek te geven zonder gemeen te worden, om te prijzen zonder een oordeel uit te spreken, om boos te worden zonder te kwetsen en om gevoelens te erkennen zonder die te beoordelen. Hij leerde volwassenen zo te reageren dat kinderen vrijwel automatisch meer op zichzelf gaan vertrouwen, waardoor ze een positief zelfbeeld ontwikkelen.

In dit boek staan elementen die doen denken aan de Solter-methode en ook de ik-boodschap van Gordon komt om ’t hoekje kijken. How2talk2kids werkt zonder straffen-belonen of time-outs. Het biedt alternatieven voor straf waardoor het kind leert dat bepaald gedrag bepaalde consequenties heeft. Belonen wordt vervangen door waarderen, belangstelling tonen en stimuleren. Er wordt veel belang gehecht aan duidelijke, veilige grenzen waarbinnen het kind autonomie en keuze heeft. En de opvoeder leert democratisch te zijn zonder toegeeflijk te worden.

Dankzij How2talk2kids leren ouders en opvoeders te communiceren op een andere manier, waardoor de relatie met het kind in positieve zin verandert. Ouders en opvoeders kunnen beter omgaan met negatieve gevoelens (woede, frustratie) van hun kind. Ze stellen grenzen en er is discipline, terwijl de relatie met het kind goed blijft en zich zelfs verdiept. Het kind neemt verantwoordelijkheid voor zijn gedrag en draagt zelf oplossingen aan. Hierdoor krijgt het kind meer zelfvertrouwen en een positiever zelfbeeld. Ouders ervaren een prettige verandering als ze de vaardigheden toepassen; het kind voelt zich begrepen.

Gekibbel en gesteggel 
Heleen de Hertog (moeder van 4 kinderen) is verantwoordelijk voor de Nederlandse versie van het boek. Deze maand is een nieuw how2talk2kids-boek verschenen: ‘broers en zussen zonder rivaliteit’. Heleen over how2talk2kids:

“Wat ouders nog kunnen leren? Ze kiezen vaak onbewust een kant. Als Thomas zijn kamer heeft opgeruimd, zeggen zijn ouders bijvoorbeeld: kijk eens Bente, hoe goed Thomas heeft opgeruimd. Ze denken dat ze Thomas complimenteren en Bente aansporen ook op te ruimen. In werkelijkheid benadrukken ze de rivaliteit tussen de kinderen. Voor kinderen lijkt het of ouders partij kiezen. De kern van de theorie is dat je niet zegt: stop met ruzie maken, maar dat je het probleem uitlegt, de gevoelens benoemt en de kinderen samen een oplossing laat bedenken. Als dat lukt hebben ze allebei een goed gevoel.”

donderdag 13 januari 2011

Time-out!

Elke pedagogisch medewerker zal beamen dat een tik, of die term nu aangevuld wordt met het ‘goedpratende’ woordje pedagogisch of niet, uit den boze is. Het is zelfs bij wet verboden om een kind een tik te geven. Toch zullen volgens velen kinderen op de een of andere manier gedisciplineerd moeten worden. Dat brengt ons op het onderwerp straffen.

Foei!
Straffen kan op allerlei manieren. We kunnen voor straf iets vervelends ‘toedienen’ zoals: een voor het kind vervelende taak of strafwerk, nablijven, een preek of standje. Ook kunnen we het kind voor straf iets plezierigs onthouden, zoals bijvoorbeeld een snoepje, zakgeld, liefdevolle aandacht, televisie kijken of computeren. En herinner je je Supernanny Jo Frost nog? Zij heeft de ‘time-out’ tot een populaire consequentie van ongewenst gedrag gemaakt.

Er zijn mensen die zweren bij het concept van de ‘naughty spot’. De effecten van het toepassen van deze maatregel worden in de media steevast als positief gelabeld. Het werkt! Wie zijn wij dan om er kwaad van te spreken? Na een nieuwe les over Aletha Solter ben ik ervan overtuigd dat we, opvoeders, weldegelijk iets hebben om over na te denken.

Is een time-out minder schadelijk dan het uitdelen van een tik?
Wat je doet als je een kind een time-out geeft, is hem afzonderen, hem liefde en aandacht onthouden, hem privileges ontzeggen. Hoewel hier geen fysiek of verbaal geweld bij komt kijken, is deze autoritaire manier om gehoorzaamheid aan te leren volgens veel opvoeders en psychologen emotioneel schadelijk voor het kind. Kinderen jonger dan zeven jaar hebben nog niet het vermogen om woorden te verwerken zoals volwassenen dat doen. Dus zelfs wanneer je zegt “ik keur je gedrag af maar ik hou wel van je” zal de ervaring van geïsoleerd en genegeerd worden veel meer impact hebben. De onthouding van liefde is voor een kind bijzonder beangstigend en zorgt op den duur voor onzekerheid, boosheid, wrok, weerstand, lage eigenwaarde en andere pijnlijke gevoelens. Daarnaast kan de time-out in gezelschap zorgen voor vernedering.

Wat zegt een time-out het kind over menselijke relaties?
Met een time-out verbreek je de communicatie met het kind tijdens een conflictsituatie. Welke boodschap zend je hiermee uit? Dat liefde en aandacht een soort handelswaren zijn die als machtsmiddel ingezet kunnen worden door ze te onthouden of uit te delen. Dat je conflicten oplost door weg te lopen, door niet meer te communiceren. Dat druist toch in tegen de sociale vaardigheden die we kinderen willen bijbrengen?

Wat zijn de gevolgen van een time-out?
  • Wanneer je een kind een time-out geeft als het raast en huilt, krijgt het de boodschap dat je het kind niet bij je wilt hebben als het van streek is. Het kind raakt ervan overtuigd dat er toch niet naar hem geluisterd wordt en zal al snel niet meer naar je toekomen met zijn problemen.
  • Uit onderzoek blijkt dat tranen stresshormonen afvoeren. Huilen is mede daarom een effectieve manier om spanning te ontladen en verdriet en frustratie te verminderen. Door de time-out leert het kind dat het beter is deze gevoelens te onderdrukken.
  • De time-out richt zich niet op de onderliggende oorzaak van ongewenst gedrag. Dit gedrag kan bijvoorbeeld veroorzaakt worden door een onvervulde behoefte of gebrek aan informatie om iets te begrijpen. Als je probeert het gedrag te veranderen zonder aandacht te schenken aan wat erachter zit, blijft het onderliggende probleem voor het kind bestaan en help je hem dus niet echt.

Alternatieven voor straf
Aletha Solter is een fel tegenstander van disciplineren met behulp van straf. Net zoals huilen ziet zij onacceptabel gedrag als een hulpvraag en het is aan ons om deze hulpvraag bloot te leggen. Ook stelt ze dat onacceptabel gedrag niet goedgekeurd moet worden maar dat emoties, zoals verdriet en boosheid, wel geuit mogen worden. Solter geeft 20 tips om het anders aan te pakken.

  1. Zoek naar onderliggende behoeften.
  2. Geef informatie en redenen.
  3. Zoek naar onderliggende gevoelens.
  4. Verander de omgeving.
  5. Zoek naar aanvaardbare alternatieven.
  6. Toon het kind hoe je wilt dat het zich gedraagt.
  7. Geef eerder keuzes dan bevelen.
  8. Doe kleine toevoegingen.
  9. Neem de tijd om dingen voor te bereiden.
  10. Laat de natuurlijke gevolgen van gedrag, mits gepast, gebeuren.
  11. Praat over je eigen gevoelens.
  12. Grijp in wanneer nodig.
  13. Houd het kind vast.
  14. Haal het kind uit de situatie maar blijf bij hem.
  15. Los het samen, spelenderwijs op.
  16. Maak de situatie onschadelijk met lachen.
  17. Onderhandel, maak afspraken.
  18. Doe aan wederzijdse conflicthantering.
  19. Herzie je verwachtingen.
  20. Neem een opvoeders time-out.
Nu wil ik niet zeggen dat je deze adviezen klakkeloos ter harte moet nemen. Wel vraag ik je na het lezen van dit stukje na te denken over je eigen standpunt ten aanzien van de time-out. En mocht je de time-out toepassen, stel jezelf dan in ieder geval de vraag voor wie je dit doet. Is het in het belang van het kind of is het jouw eigen behoefte om het kind even niet meer in je buurt te hebben?

Meer lezen? Kijk eens op de volgende websites:

maandag 20 december 2010

Een lekker potje janken

In het kader van de opleiding VVPM die ik volg, heb ik een boek gelezen van Aletha Solter: ‘De taal van huilen’. Toen ik het uithad, was er een wereld voor me opengegaan. Haar visie klinkt zo simpel en vanzelfsprekend dat ik me afvraag waarom ik het zelf niet verzonnen heb. Dat komt waarschijnlijk door het feit dat het huilen van kinderen bij mij allerlei gedachten en emoties oproept waardoor het logisch redeneren even op een laag pitje gaat.

Aletha Solter
Wat kun je zoal voelen wanneer een kind huilt? Medelijden, machteloosheid, ergernis, frustratie, boosheid, liefde. Deze gevoelens, of je je er nu van bewust bent of niet, kunnen je reactie op het huilen van het kind beïnvloeden. Daarnaast zijn er externe factoren van invloed op je reactie. Het moment waarop het kind huilt (heb je tijd om het kind aandacht te geven?), de manier waarop het kind huilt (krijsend of juist zacht snikkend), de vermoedelijke reden van het huilen (heeft het kind bijvoorbeeld pijn, voelt het zich gekwetst of huilt het schijnbaar zonder reden?).

Solter noemt in haar boek veelvoorkomende reacties van volwassenen op het huilen van jonge kinderen, zoals afleiden, straffen, wegwuiven, iets in de mond stoppen of zeggen dat het moet ophouden met huilen. Het belang van huilen wordt volgens haar vaak niet onderkend.

Waarom huilen kinderen dan? Het is een manier om behoeften of ongemak kenbaar te maken. Solter noemt huilen ook een ‘stressontladingsmechanisme’ en beweert dat kinderen huilen om spanning te verwerken. Die spanningen kunnen onderverdeeld worden in:
  • Actief door anderen gekwetst worden (zoals geweld, dwang, bedreiging, belediging, afwijzing, racisme, seksisme)
  • Passief gekwetst worden (zoals verwaarlozing)
  • Door omstandigheden gekwetst worden (zoals geboortetrauma, ziekte of letsel, overprikkeling, grote veranderingen, problematische gezinssituatie, natuurrampen)
Huilen is volgens Solter een toestand van lichamelijke inspanning gevolgd door diepe ontspanning, met andere woorden: een effectieve manier om stress te ontladen, een natuurlijk herstelproces.

 

Volwassenen interpreteren de tranen van kinderen regelmatig verkeerd. Een kind kan in tranen uitbarsten en vreselijk tekeer gaan om iets (in onze ogen) totaal onbenulligs. Maar weten we wat hier achter zit? Misschien was dit de druppel die zijn emmertje deed overlopen. Soms, zegt Solter, is de behoefte aan huilen zo groot dat het kind actief op zoek gaat naar een aanleiding. Trek voor de grap eens een parallel naar jezelf. Ben je wel eens uitgeflipt tegen je partner omdat die, ik noem maar iets, een lege wc-rol heeft laten hangen? Was dit echt zo erg of was dit een ontlading na een reeks tegenslagen die dag?

Wat kun je doen als een kind huilt? Ten eerste neem je (indien mogelijk) de bron van de spanning weg. Geef het kind bewuste aandacht en accepteer dat het huilt. Erken de emoties van het kind. Laat een huilend kind nooit alleen maar bied het kind emotionele steun en veiligheid. Laat het kind huilen zolang het hier behoefte aan heeft. Het is belangrijk dat een kind zich nooit bestraft voelt als het huilt, hierdoor kan het schaamte of angst voor de eigen emoties ontwikkelen. Zo zal het kind leren zijn natuurlijke herstelmechanisme te onderdrukken en wordt het heel moeilijk om zijn psychische en lichamelijke balans te hervinden. Wat de stress ook heeft veroorzaakt, een kind voelt zich pas beter wanneer het net zoveel heeft kunnen huilen en tekeergaan als het nodig heeft.

Ten slotte ter overweging nog deze uitspraak van Solter: “Kinderen hebben vaak het meest behoefte aan liefde en aandacht op momenten dat hun gedrag daar het minst aanleiding toe geeft.”

Lees meer over de taal van huilen: hier.

woensdag 8 december 2010

Emmi Pikler

In de VVPM-opleiding besteden we aandacht aan verschillende pedagogen. Om jullie een graantje mee te laten pikken zal ik af en toe een samenvatting geven van wat ik heb opgestoken over deze mensen. Te beginnen met Emmi Pikler (1902 – 1984).

Leven en werk
Emmi Pikler, geboren in Wenen, was oorspronkelijk opgeleid tot kinderarts. Toen ze een dochter kreeg, besloot ze haar op geen enkele manier in haar ontwikkeling te forceren. Met respect voor het eigen ritme gaf ze haar dochter alle vrijheid om zelf initiatief tot spel en beweging te nemen. Piklers overtuiging was: een kind dat in zijn eigen tempo mag leren en onderzoeken, leert beter zitten, staan, spreken en denken dan een kind dat gestimuleerd of geholpen wordt. Vanuit deze overtuiging heeft Pikler tien jaar lang ouders ondersteund in de opvoeding van hun kinderen. Na de Tweede Wereldoorlog werd ze hoofd van kindertehuis Lóczy in Boedapest. Ze organiseerde het kindertehuis naar haar eigen methode en deed longitudinaal onderzoek naar de psychomotorische ontwikkeling van de baby’s en peuters die er opgroeiden. Twee belangrijke pijlers binnen haar visie zijn vrije bewegingsontwikkeling en respectvolle verzorging.

Vrije bewegingsontwikkeling
-         Aanbieden van een veilige omgeving waarin het kind uit eigen initiatief actief kan bewegen, bewegingsruimte die iets groter is dan hij nodigt heeft, speelgoed dat zijn onderzoeksdrang bevredigt.
-         Niet onnodig ingrijpen in de activiteiten van het kind, hem niet helpen of stimuleren, hem niet in posities brengen waar hij zelf (nog) niet in of uit kan komen, aandacht geven op afstand.
-         Respect voor het eigen tempo en ritme van het kind en voor zijn eigen, spontane initiatieven.
-         Zinvolle organisatie van het leven van het kind: er is een tijd voor rust, voor contact met de verzorgster en voor vrije beweging.

Grove motoriek
De kinderen in Lóczy zijn continu, individueel en door vaste waarneemsters geobserveerd in hun bewegingsontwikkeling vanaf het moment dat ze voor het eerst draaiden tot het moment dat ze voor het eerst los gingen lopen. Het lukte alle baby’s zelfstandig vanuit de rugligging tot staan en lopen te komen. In de observaties werden tientallen niet eerder beschreven posities en bewegingen vastgelegd die Pikler ‘overgangsposities’ noemde. Deze posities kwamen bij alle kinderen voor en bijna altijd in dezelfde volgorde. De overgangsposities hebben een oefenfunctie: de spieren worden stapsgewijs geoefend en bereiden het kind voor op de volgende ontwikkelingsfase. Ook krijgt het kind een steeds bewuster besef van zijn lichaam, wat de basis vormt voor de ontwikkeling van eigenwaarde. De aangeboren bewegingsdrang wordt duidelijk door het voortdurend veranderen van houding. Baby’s die beginnen te kruipen ontwikkelen snel de drang tot klimmen. Bied de eerste mogelijkheid tot klimmen dicht bij de grond aan zodat het kind ook kan leren vallen en (her)vinden van zijn balans. Later kun je hogere klimobjecten aanbieden zodat het kind zijn vaardigheden kan vergroten en gevoel ontwikkelt voor zijn eigen mogelijkheden en grenzen.

Fijne motoriek
Rond de tiende week ontdekt het kind zijn handen en speelt hier veelvuldig mee. Vanaf de derde maand probeert hij voorwerpen vast te pakken maar de activiteit met de handen blijft belangrijker dan het voorwerp zelf. Vanaf de zesde maand worden de mogelijkheden die een voorwerp biedt interessant. Bied eerst lichte voorwerpen aan, zoals een zakdoek, en later iets groter en zwaarder materiaal zoals bakjes, doosjes of bekers in verschillende maten, materialen en vormen. Aan het eind van het eerste jaar kan het kind aandacht hebben voor meerdere voorwerpen tegelijk en onderzoekt het hoe het de voorwerpen kan combineren. De baby laat intense aandacht voor het voorwerp zien. Uit de gezichtsuitdrukkingen van het kind blijkt dat het voorwerp emoties kan oproepen. De handactiviteiten worden gezien als ‘lichamelijk denken’.

Respectvolle verzorging
Verzorgingsmomenten zijn uitermate geschikt om elkaar beter te leren kennen en écht samen te zijn. De volwassene past zich aan aan het tempo van het kind zodat hij zich kan instellen op de handelingen en mee kan doen aan het samenspel. Zo leert het dat hij invloed kan uitoefenen op situaties waaraan hij deelneemt als basis voor de eerste sociale contacten. De verzorging gebeurt met liefdevolle aandacht en zorgvuldigheid. De baby wordt niet gezien als een bundeltje hulpeloosheid. Zijn competenties (zoals contact maken, behoeften aangeven), hoe pril ook, verdienen respect. De handen van volwassenen zijn belangrijk voor baby’s; ze vormen een belangrijk middel tot contact met de wereld. De handen raken hem aan, tillen hem op, wassen, voeden en kleden hem. De baby leert van zachte, tactvolle bewegingen wat aandacht en belangstelling betekenen.

Dialoog
Pikler adviseerde ouders vanaf het begin met hun kind te praten en het bij de naam te noemen. Hierdoor gaat de ouder langzamer en bewuster om met het kind, die snelle impulsen nog niet aankan. Tussen de aankondiging van wat er gaat gebeuren en de handeling zelf moet daarom altijd een kort moment van rust zijn. De ouderlijke stem heeft een rustgevende invloed op het kind. Hoewel het de woorden nog niet begrijpt, kan het kind de intentie wel voelen. De volwassene antwoordt met gebaren steeds op de reacties van het kind. Oogcontact zal een steeds grotere rol gaan spelen. Door op deze manier een kind te verzorgen, voorzie je niet alleen in de behoeften van het kind maar bied je hem ook een sociale ervaring.

Meer informatie: Emmi Pikler Stichting

maandag 22 november 2010

Pedagogisch Kader voor de BSO is klaar!

Bureau Kwaliteit Kinderopvang laat in haar nieuwsbrief weten dat de tekst van het Pedagogisch kader kindercentra 4-13 jaar klaar is. Het duurt nog wel even voordat de tekst in boekvorm gepubliceerd en uitgegeven wordt, maar de verwachting is dat het boek in het voorjaar van 2011 uitgegeven wordt.

BKK verwacht dat het pedagogisch kader voor de buitenschoolse opvang net zo'n belangrijke rol gaat vervullen in de praktijk als het Pedagogisch kader kindercentra 0-4 jaar. Dit boek verscheen in januari 2009 en BKK maakte het mogelijk dat alle kindercentra met opvang voor 0-4 jaar één exemplaar van het boek ontvingen. Het Pedagogisch kader vormt ook de basis van het scholingsbudget dat BKK vrij heeft gegeven voor alle kinderopvangorganisaties in Nederland.

Een deel van dit belangrijke boek voor de bso is al in te zien. Het voorwoord, de inhoudsopgave en de inleiding staan op de website van BKK. Het theoretische deel is in vier delen opgemaakt. Deel één gaat over pedagogische kennis (wat hebben kinderen nodig?), deel twee gaat over pedagogische doelen (wat willen we bereiken?), deel drie gaat over pedagogische middelen (Wat doen we in de bso?) en het laatste deel gaat over profielen (thematische bso's).
Bekijk een deel van het Pedagogisch Kader Kindercentra 4-13 jaar hier.

Bron: kinderopvangtotaal

zondag 31 oktober 2010

Gooi wat in mijn schoentje...

Nog even en de Sint is weer in het land. Kinderen zijn al druk bezig met het opstellen van uitgebreide verlanglijsten en de ene na de andere speelgoedcatalogus vol Sint-suggesties valt op de deurmat. De keuze is reuze maar hoe beslis je als hulp-Sint wat je je kinderen dit jaar cadeau doet?


Kinderen letten bij hun keuze voor speelgoed op heel andere dingen dan opvoeders. Zij willen bijvoorbeeld dat het groot is, dat het kan bewegen, dat het populair is bij leeftijdsgenootjes of dat er een stekker aan zit. Opvoeders vragen zich af of het speelgoed uitdagend en van goede kwaliteit is, een langere tijd kan blijven boeien, of kinderen er iets van kunnen leren en of het speelgoed de ontwikkeling stimuleert. Natuurlijk moet het cadeau ook bij de pedagogische ideeën van de betreffende hulp-Sint passen. Dat betekent dus zoeken naar compromissen en dat valt nog niet mee.

Je hoeft als opvoeder uiteraard niet zonder enige overweging in te gaan op de wensen van het kind maar houd er wel rekening mee. Daarnaast moet het speelgoed aansluiten bij de ontwikkelingsfase van het kind. Een dreumes beleeft bijvoorbeeld veel plezier aan sensopatisch spel, een kleuter vindt fantasiespel erg leuk, een kind dat in groep 3 zit gaat zich bezig houden met spelregels en kinderen in de bovenbouw hebben vaak hobby’s en zijn gericht op gemeenschappelijke interesses zoals sport, mode of muziek.

Er is nog iets waaraan je steun kunt hebben bij de keuze voor speelgoed. Marianne de Valck omschrijft vier verschillende speeltypen: rauwers, douwers, schouwers en bouwers. Je kunt het kind observeren (waar, hoe, waarmee en met wie speelt het kind?) en bepalen welk type hij is. De basismaterialen (zoals blokken, tekengerij, gezelschapsspelletjes, poppen en auto’s) kunnen dan worden aangevuld met het speelmateriaal dat bij dit type past. In het kinderopvangcentrum zorg je er natuurlijk voor dat er voor elk speeltype voldoende materiaal aanwezig is maar onthoud wel: overdaad schaadt. Als er teveel speelgoed is, verliest het kind het overzicht en kan hij niet kiezen. Zorg voor een veelzijdig maar bescheiden aanbod en wissel zo nu en dan af.

Rauwers zijn doeners, actieve kinderen. Ze hebben niet veel oog voor detail, zijn minder geduldig en kunnen zich maar kort op iets concentreren maar zijn wel makkelijk te enthousiasmeren. Zij willen speelgoed dat direct reactie geeft en materialen waarmee ze kunnen sjouwen, klimmen en geluiden maken. Het materiaal mag groot zijn en fysiek uitdagend. Suggesties: knikkerbaan, flipperkast, klauterobjecten, vingerverf, muziekinstrumenten.

Douwers zijn vindingrijk en en hebben het geduld om ergens langere tijd mee bezig te zijn. Ze lossen graag puzzels op, zijn leergierig en kunnen goed zelfstandig spelen. Een douwers is blij met speelgoed waar inzicht en strategie voor nodig zijn of speelgoed dat uitnodigt tot onderzoek en uitproberen. Suggesties: constructiemateriaal, puzzels, play mobile, geheugenspelletjes, loep, chemiedoos.

Schouwers zijn zintuiglijk ingesteld. Ze richten zich op details, houden van dromen en fantaseren en zijn vaak introvert. Schouwers zijn graag creatief bezig, maken gebruik van hun fijne motoriek en kunnen genieten van spelen met sensopatisch materiaal. Suggesties: kralen, verkleedspullen, teken- en schildermateriaal, poppen, caleidoscoop of prisma, speeltent of hut, prentenboeken.

Bouwers zijn echte ondernemers. Ze zijn praktisch ingesteld, sociaal vaardig en inventief. Bied hen dus materialen aan die ze op verschillende manieren kunnen gebruiken. Bouwers maken graag regels en afspraken en zijn resultaatgericht. Ook vinden ze het leuk om verhalen of ‘de grote mensenwereld’ na te spelen. Suggesties: kasteel of poppenhuis, spullen om op te treden, bouwplaten, goocheldoos, competitiespelletjes.

Natuurlijk is het niet de bedoeling om met deze typering het kind een stempel op te drukken. Een rauwer zal best wel eens dagdromen en een douwer zal het best eens leuk vinden om zich uit te leven op een trommel. Kinderen verschillen van elkaar, hebben hun eigen manier van spelen en ontdekken. Het belangrijkste is dat spelen leuk is.

vrijdag 29 oktober 2010

Belonen is belangrijk

Sommige kinderen lijken er hun missie van gemaakt te hebben om de grenzen van het toelaatbare op te zoeken en te overschrijden. Dan is de verleiding al snel groot om hierop negatief te reageren, bijvoorbeeld door te waarschuwen, verbieden of straffen. In zekere mate hoort dit bij de opvoeding van kinderen maar soms kun je hier als pedagogisch medewerker in vast komen te zitten. Vraag je dan eens af: besteed ik ook aandacht aan het positieve gedrag van het kind?

Elke pedagogisch medewerker kent het belang van belonen en er zijn talloze manieren om dit te doen. Concreet kan dit bijvoorbeeld een stickerkaart zijn, een kalender met zonnetjes en wolkjes of knikkers in een pot. Als een bepaald quotum bereikt is, volgt een beloning in de vorm van een privilege of cadeautje.

Zelf vind ik de beloningsposter een heel leuk idee. Die kun je zelf maken maar er is ook een website waarop je ze kunt bestellen. Er zijn verschillende thema’s (jungle, ballet, ruimte, paarden, etc) en de naam van het kind komt op de poster te staan.

Kijk eens op de website: www.beloningsposter.nl


donderdag 28 oktober 2010

Wijsheid

Creativity becomes more visible when adults try to be more attentive to the cognitive processes of children than to the results they achieve in various fields of doing and understanding.
- Loris Malaguzzi

donderdag 10 juni 2010

Das Sprachlerntagebuch


 

Het Sprachlerntagebuch is een middel om de voortgang van de taalontwikkeling van kinderen te documenteren. Het boek is in 2004 ontwikkeld en sinds 2006 hebben ruim honderdduizend kinderen in de Berlijnse kinderdagverblijven er één. Het Sprachlerntagebuch biedt een leidraad voor observaties en de taalontwikkeling wordt er overzichtelijk in vastgelegd. Het boek richt zich op taal, spraak, communicatie en beginnende geletterdheid. De inhoud en opbouw sluiten aan bij het Berliner Bildungsprogramm.


Het Sprachlerntagebuch wordt gedurende de hele periode waarin het kind het kinderdagverblijf bezoekt bijgehouden. Niet alleen de ontwikkeling van het kind wordt zichtbaar, ook geeft het boek inzicht in het werk van de PM'ers. Daarnaast kunnen de docenten na het bestuderen van de boeken goed aansluiten op het ontwikkelingsniveau van het kind dat net naar school gaat. Het berliner Bildungsprogramm schrijft het creëren van een 'Bildungsbiografie' voor, een soort ontwikkelingsportfolio voor ieder kind. Het Sprachlerntagebuch is hier een onderdeel van.

Het kind levert zelf een belangrijke bijdrage aan het Sprachlerntagebuch. Er worden 'documenten' toegevoegd die iets laten zien van de spreekvaardigheid en communicatievaardigheden van het kind. 




Het boek bestaat uit vier onderdelen: 
  • Vragen om het kind (en zijn familie) beter te leren kennen
  • 'Das bin Ich' - hier kan het kind zichzelf en zijn familie voorstellen
  • Jaarlijks Bildungsinterview met kinderen vanaf 3 jaar (het kind in zijn wereld, het kind in het kinderdagverblijf, een ontwikkelingsoverzicht)
  • 'Lerndokumentation' (wat kan een kind al en waarin moet het ondersteund worden of extra aandacht krijgen?)

dinsdag 8 juni 2010

Sinne und Gesichter

Der Kopf ist beweglich, damit man beim Denken die Richtung ändern kann!
Deze bekende spreuk hing in het SFBB-gebouw. Nadat ik er een tijdje naar gestaard had, hield ik mijn hoofd scheef. Ja, de wereld zag er op die manier meteen anders uit. Tijdens deze stage ben ik me steeds meer gaan afvragen hoe je je nu het beste in de belevingswereld van een kind kunt verplaatsen. Al snel vond ik een antwoord: bekijk de wereld om je heen eens letterlijk vanuit het perspectief van het kind. Ga eens op je buik in het gras liggen, kruip op handen en voeten door een lokaal, kniel eens neer naast een groot speeltoestel. Misschien moet je je gewoon heel klein maken om te ervaren hoe groot de wereld is voor een kind.

We bezochten vandaag een kinderkunstgalerie in het Körnerpark: Die Sinne; Kinderkunst zum mitmachen. Kinderen leren met al hun zintuigen en dat werd in deze tentoonstelling duidelijk zichtbaar gemaakt. Berlijnse kunstenaars hebben samen met kinderen van diverse INA Kitas in Berlijn allerlei kunstwerken gemaakt. Vragen die hierbij aan de orde kwamen, waren bijvoorbeeld:
  • Welk artistiek aanbod is geschikt om de esthetische beleving en kunstzinnige expressie van kinderen te bevorderen?
  • Op welke manier spreek je de zintuigen van kinderen zo aan dat ze deze gebruiken voor creatieve, artistieke activiteiten?
  • Waaraan moet worden voldaan om kunstzinnig werken in de dagopvang te integreren?
Er werden allerlei kinderworkshops aangeboden (theater, koken, muziek, schone kunsten, media) maar het thema was steeds hetzelfde: de zintuigen.

   

Links: de vuurboom, kinderen hebben eerst vuur onderzocht (kleur, geur, warmte, beweging, geluid) en hebben daarna het vuur geschilderd, voor het dynamische effect zijn de kunstwerken opgehangen in een gekleurde boom.
Midden: werken met natuurlijke kleurstoffen in het thema 'wat leeft er onder de grond'.
Rechts: zelfportretten

De galerie was niet alleen bedoeld om naar kunst te kijken, er viel ook van alles te doen. Zo konden kinderen zich verkleden en op een podium toneelspelen, met blote voeten over verschillende ondergronden lopen, ruiken aan verse en gedroogde kruiden, boeken lezen, animaties maken en tekenen op een lichtbak.

     

Links: snuffelen, meten, wegen
Midden: creatief met lichtbak
Rechts: een heel bijzonder boek; hoe ruikt, smaakt, klinkt of voelt een kleur die je niet kunt zien?

Aan het eind van de tentoonstelling werd ik geattendeerd op een boek van François Robert: Gesichter. Daar was de spreuk weer: je kunt je hoofd bewegen zodat je tijdens het denken de richting van je gedachten kunt veranderen. Het boek liet 130 foto's zien, allemaal gemaakt door kinderen. Zij hadden foto's van hele alledaagse dingen gemaakt maar het bijzondere is dat je in elk gefotografeerd object een gezicht kunt zien. Elk object heeft een eigen gezichtsuitdrukking en als je wat langer kijkt, lijken de objecten een heel eigen persoonlijkheid te krijgen. Het boek spoort je aan de wereld met andere ogen te bekijken.

        

Situationsansatz: een uitnodiging voor het leven

Kinderen zijn vormgevers van hun eigen leven. Het is daarom belangrijk dat hun nieuwsgierigheid steeds geprikkeld wordt, dat de behoeften en interesses van kinderen serieus genomen worden en dat ze ondersteund worden in hun eigen ontdekkingsreis in het leven.

In veel Kitas wordt gewerkt met Situationsansatz. Vanuit dit concept wordt de individualiteit van het kind bevorderd en tegelijkertijd leert het omgaan met andere kinderen en ontwikkelt het respect voor de eigenheid van anderen. Alles wat een kind interesseert, wil weten en wil kunnen, kan het leren. Er is dan ook een breed activiteiten- en materiaalaanbod dat betrekking kan hebben op bijvoorbeeld natuur, wetenschap en techniek, kunst en cultuur, tradities en geschiedenis, samenleving en de basisschool. Dit aanbod zorgt ervoor dat kinderen in contact gebracht worden met de realiteit van het leven en biedt een voorbereiding voor de rol die zij daar als individu meer en meer in zullen spelen.

De kinderen mogen hun dag grotendeels zelf indelen. Met hun eigen ideeën, interesses en behoeften structureren zij de dag. De tijdsplanning is flexibel zodat kinderen niet abrupt uit hun spel gehaald hoeven te worden en hun activiteiten af kunnen ronden.

De omgeving biedt genoeg uitdagingen voor het kind om dingen te ontdekken en experimenteren. Kinderen zijn spontaan en impulsief en dat mogen ze ook zijn. Elk kind moet zich prettig voelen en zich vrij kunnen ontwikkelen. Ook is het belangrijk dat ze leren dat het eigen welbevinden samenhangt met het welbevinden van anderen. De ontwikkeling van saamhorigheid, hulpvaardigheid, tolerantie en solidariteit wordt dan ook gestimuleerd. Aan de ene kant geldt: wat je leuk vindt, is toegestaan. Aan de andere kant is de regel: de eigen vrijheid houdt daar op waar het een ander hindert.

Wanneer een kind zegt “dat kan ik zelf” dan wil het zelfstandig zijn. Deze boodschap wordt door de PM’ers serieus genomen. Alles wat het kind op eigen kracht wil doen, wordt aangemoedigd. Zo oefent het niet alleen de zelfredzaamheid maar leert het ook omgaan met fouten maken. Kinderen die onzeker, terughoudend of angstig zijn, worden extra ondersteund en aangemoedigd. Belangrijk is dat het kind steeds zelf bepaalt wat het zelfstandig doet en waar het nog hulp bij nodig heeft.

Om de zelfstandigheid te bevorderen, moet de PM’er vertrouwen hebben in de kinderen. Er zijn wel regels maar niet overdreven veel. Alle ruimten zijn voor de kinderen vrij toegankelijk en er kan ook gespeeld worden zonder direct toezicht van een PM’er. Het devies is: de PM’er oefent slechts zoveel controle uit als nodig is en biedt zoveel vrijheid als mogelijk is.

Voor het werk van de PM’er zijn de volgende grondbeginselen van het concept Situationsansatz belangrijk:
  • Levenssituaties, belevingswereld en behoeften van kinderen zijn uitgangspunt.
  • Kinderen leren en ervaren dingen in levensechte situaties.
  • Verticale groepsstructuur zorgt voor veelzijdige leerervaringen.
  • Kinderen mogen helpen met het vormgeven van het ‘leven’ in de Kita.
  • PM’ers maken hun werk zichtbaar voor ouders en werken samen met hen.
  • Pedagogische doelen zijn zelfbewustzijn, zelfredzaamheid, solidariteit en competentie.
  • Een kind leert het best wanneer hoofd (kennis, interesse), hart (plezier) en handen (zelf doen) tegelijkertijd aangesproken worden.
  • De PM’er leert en leert aan.

maandag 7 juni 2010

Evaluatiecyclus Berliner Bildungsprogramm


's Middags was er weer een bijeenkomst in het SFBB, deze keer onder leiding van Nina Bolt. Zij kwam ons uitleg geven over de evaluatie van het Berliner Bildungsprogramm.

Sinds 2004 is het BBP een verplichte methodiek binnen de Berlijnse staatskindercentra. Tot 2006 is er gewerkt aan conceptontwikkeling en hadden de kindercentra de gelegenheid om het werken aan de hand van het BBP te integreren in hun dagelijks werk. In 2008 vond een interne evaluatie plaats en in 2009 werd het BBP onderworpen aan een externe evaluatie.

Bij de interne evaluatie wordt door de PM'ers nagegaan op welke manier met het programma gewerkt wordt, wat er al goed gaat, waar hun sterke punten liggen en waar en hoe de kwaliteit van pedagogische processen nog verbeterd kan worden. Aan het eind van de evaluatie moeten de PM'ers deze vragen kunnen beantwoorden en met een concreet stappenplan komen.

Er zijn in totaal acht kwaliteitscriteria die geëvalueerd worden:
  1. Vormgeving van de dagelijksheid 
  2. Spel
  3. Werken met projecten
  4. Inrichting van de binnenruimte
  5. Observeren en documenteren
  6. Opvoedingsrelatie met de ouders
  7. Overgang naar de basisschool
  8. Kinderparticipatie (democratiseringsprocessen)
De interne evaluatie vindt op verschillende manieren plaats:
  • Gestructureerde zelfreflectie (kwaliteit van het eigen professionele handelen)
  • Gestructureerde groepsdiscussie (zelfreflecties worden naast elkaar gelegd en in het team besproken)
  • Bij het kwaliteitscriterium 'spel' is een extra evaluatie-instrument: observatie door een collega
  • Bij het kwaliteitscriterium 'opvoedingsrelatie met de ouders' is een extra evaluatieinstrument: een vragenlijst klanttevredenheid voor ouders

Dit is hoe de complete evaluatie eruit ziet: Materialien für die interne Evaluation zum Berliner Bildungsprogramm

Doelen van interne evaluatie zijn:
  • Versterking van het gevoel van verantwoordelijkheid en autonomie van het team
  • Prioretiseringsproces (welke stappen moeten in welke volgorde genomen worden)
  • Aanwakkeren van groepsdiscussie (hoe werken we, wat gaat er goed, wat vinden we belangrijk, waar willen we aan werken)

Be smart academy (2)

"Smart people have it easier in life - be smart!"
Dit is een boodschap die in het hele gebouw wordt omarmd en uitgedragen. De Britse directrice Rose Thornton staat pal achter het strikte, ambitieuze beleid. Vol trots vertelt ze ons over de be smart academy en beantwoordt ze onze vragen.

Waarom een tweetalige opvang?
"We werken aan een vroeg-linguistische ontwikkeling voor kinderen in een maatschappij waarin verschillende talen gesproken worden. Ons tweetalige dagprogramma sluit goed aan op de behoeften van de ouders die belang hechten aan educatie en banen hebben met een internationaal karakter. Kinderen worden voorbereid op de overgang naar een tweetalige basisschool of een Engelstalige internationale school. De kinderen ontwikkelen bovendien begrip van en respect voor andere culturen. Taal zien we als middel om doelen te bereiken."

Hoe ziet tweetalige opvang en educatie eruit?
"Op elke groep werkt één Engelse en één Duitse medewerker. Zij besteden allebei evenveel tijd met de kinderen. De Engelse medewerker spreekt alleen maar Engels en de Duitse alleen Duits. Wanneer het kind de Engelse medewerker in het Duits aanspreekt, zal het een Engels antwoord krijgen. Zo ontwikkelen de kinderen een taal-specifieke relatie met hun onderwijzers. Voor alle kinderen is een speciaal 'behoeftenplan' met betrekking tot taalvaardigheid opgesteld zodat ieder kind de optimale ondersteuning krijgt. Ook wordt voor ieder kind een taalontwikkelingsdagboek bijgehouden."

Voor welke kinderen is de be smart academy het meest geschikt?
 "Voor ouders en kinderen met een leergierige houding, met vertrouwen in zichzelf en anderen en met interesse voor internationale educatie. Vanzelfsprekend is de be smart academy zeer geschikt voor kinderen met een tweetalige achtergrond, er zijn hier zelfs kinderen die wel drie of vier talen spreken. We zijn er ook voor Duitse kinderen waarbij in de opvoeding de ontwikkeling van een internationaal georiënteerde en liberale houding gewenst zijn. En dan zijn er natuurlijk nog ouders die het gewoon leuk vinden als hun kinderen leren over verschillende culturen."

Welke educatieve doelen worden nagestreefd?
"Ten eerste zelfbewustzijn en autonomie. Zelfvertrouwen en sociale vaardigheden worden geleerd in interactie met anderen. Kinderen leren gevoelens bij zichzelf en anderen te herkennen en om te gaan met verantwoordelijkheden en problemen. Dit gebeurt in kleine, veilige groepjes en in een gestructureerde omgeving. Kinderen kunnen er zo achter komen wat hun sterke en minder sterke kwaliteiten zijn. We stimuleren hen open te staan voor nieuwe ervaringen en eigen meningen te vormen. Dan is er de taalvaardigheid. We willen de natuurlijke drang om taal te ontdekken en ermee te experimenteren stimuleren. Opgroeien in een tweetalige omgeving helpt het kind in zijn cognitieve ontwikkeling en de ontwikkeling van perceptie en waardering van culturele diversiteit. Denk bij praktische taalvaardigheden aan verbale communicatie, luistervaardigheid, tekstbegrip, ontwikkeling van creativiteit en verbeeldingskracht, werken met verschillende schrijfmaterialen en -technieken. Een ander doel is leren leren. Kinderen zoeken zelf antwoorden op vragen, ontwikkelen eigen ideeën, leren logisch redeneren en maken gebruik van hun talenten. In samenwerking met anderen leren ze bijvoorbeeld open te staan voor andermans ideeën en hiervan te leren, onderhandelen, besluiten nemen en reflecteren op gedrag. Leergierigheid en nieuwsgierigheid worden steeds gestimuleerd. Als laatste wil ik sociale vaardigheden noemen. De kinderen worden zich bewust van verwachtingen, behoeften en gevoelens van anderen, ontwikkelen empathisch vermogen, leren om te gaan met verschillen, oefenen met democratische besluitvorming en worden begeleid in hun morele ontwikkeling."

Is er naast dit overweldigende educatieve programma ook nog ruimte voor vrij spel?
"Daar is binnen de dagstructuur zeker ruimte voor! Er zijn elke dag zeker twee momenten vrij geroosterd waarin de kinderen gewoon kunnen spelen. Dit kan binnen in de activiteitenruimten maar er is ook een prachtig vormgegeven buitenruimte." 



Be smart academy (1)

Na een korte voorbereidingsbijeenkomst in het SFBB gingen we op werkbezoek bij de be smart academy in het hart van de stad. Dit is een tweetalige Kita (Duits-Engels) die opgericht is door twee moeders.

Kinderen zijn op jonge leeftijd het best in staat om taalvaardigheden te leren. Het leren van een tweede (wereld)taal bereidt kinderen voor op het schoolse leven dat ze straks gaan leiden en geeft kinderen een belangrijke sleutel tot internationale communicatie. De 'pre-school' heeft een tweeledige missie:

  • een schoolvoorbereidende missie; de leergierigheid van kinderen voeden, hen leren zich te concentreren op een taak,
  • een maatschappelijke missie; door aan de internationale standaarden te voldoen, krijgen kinderen meer kansen om hun potentie optimaal te benutten en ontwikkelen.
Op de be smart academy zitten kinderen van 3 tot 6 jaar. Er zijn vijf groepen en op elke groep werken twee 'educators'. Eén van hen spreekt Engels, de ander spreekt Duits. De 'schoolse' activiteiten vinden plaats tussen 9:00u en 10:30u en tussen 14:00u en 15:30u. De verschillende leergebieden zijn kunst en handvaardigheid, sport, drama en muziek, ABC/123 (taal en rekenen) en (natuur)wetenschap. De inhoud van de lessen is afhankelijk van een thema dat regelmatig wisselt.

   
Links: in de be smart academy wordt gewerkt met het taalontwikkelingsprogramma 'Schlaumäuse'
Midden: de mandjes van de kinderen met daarboven de vlaggen van de landen waarvan ze de taal beheersen
Rechts: kinderen tekenen het postproces

Picasso-Gruppe (kunst en handvaardigheid): kinderen leren de wereld om zich heen kennen en begrijpen door te observeren, (zintuiglijk) verkennen en door creatief te zijn. Kinderen leren dat ze hierdoor dingen ontdekken en door hun ontdekkingen soms verbaasd raken. Dit laatste roept weer nieuwsgierigheid op om verder te verkennen. Door creatieve activiteiten wordt zowel het cognitieve als magische denken gestimuleerd. Kinderen verwerken de realiteit maar ook fantasie door creatief bezig te zijn. Ook leren ze observeren en verbeelden. Daarnaast zijn taken als herkennen en benoemen van kleuren, vormen en materialen en concentreren belangrijk. Artistieke vaardigheden die de kinderen hier aangeleerd krijgen zijn bijvoorbeeld: schilderen, tekenen, boetseren, collages maken, werken met natuurlijke materialen, werken met textiel, verkennen van kunst in boeken en bezoeken van galerieën, mozaïeken, fotograferen.
Beethoven-Gruppe (drama en muziek): muziek wordt gezien als levensbehoefte. Kinderen horen muziek niet als een losstaande kunstvorm te zien, maar als deel van het leven. De gedachte hierachter is dat bijna alles in het leven op een bepaalde manier met muziek of muzikale expressie gelinkt kan worden. Denk aan emotionele expressie, lichaamsbeweging, communicatie, religie, spel, etc. Voor veel kinderen is muziek een bron van gevoel en door muzikale expressie kan het kind een positief zelfbeeld, intelligentie en een gevoel van innerlijke balans verwerven. Hier leren de kinderen noten lezen, eenvoudige vormen van muzikale expressie, het bespelen van instrumenten, het maken van simpele instrumenten en experimenteren met geluiden en stilte. 

Einstein-Gruppe (ABC-123): je weg vinden in ruimte en tijd, dat is een ingewikkelde opgave dus moeten kinderen zich leren te oriënteren. Wegen, meten, schatten, vergelijken en ordenen zijn wiskundige vaardigheden die aan de orde komen. Ook de wereld van getallen gaat hier voor de kinderen open. Er wordt een begin gemaakt aan het abstract denken. Naast cijfers spelen in deze groep ook letters een belangrijke rol. Kinderen leren zowel de Duitse als de Engelse taal en elke taal wordt in gelijke hoeveelheid aangeboden. Woorden worden aangeboden met plaatjes. Ze leren niet alleen het alfabet maar leren over schriften uit andere culturen, leren omgaan met informatiebronnen, krijgen te maken met taal in de vorm van literatuur en kunst, leren omgaan met allerlei schrijfmaterialen (inclusief de computer). 

Darwin-Gruppe (natuur en wetenschap): de natuur wordt door de kinderen met alle zintuigen ervaren. De kinderen worden gestimuleerd zich bewust te worden van deze ervaringen en er vragen over te stellen. Later kan hierop worden voortgeborduurd naar diverse natuurkundige onderwerpen. Contact met dieren en planten en het leren geven om 'levende dingen' is een belangrijke taak. Kinderen zorgen voor kleine huisdieren zoals konijnen en schildpadden en leren in de tuin de namen van allerlei planten. Ook in deze groep staat verkennen en experimenteren centraal. Er is aandacht voor de perceptie van natuurlijke fenomenen en chemische processen, de elementen, ecologie en milieu, het gebruik van verschillende materialen en de herkomst ervan en het trekken van vergelijkingen tussen natuur en techniek.

Links: trommels (Beethoven-Gruppe)
Midden: veiligheidsbrillen (Darwin-Gruppe)
Rechts: balletkelder (Olympia-Gruppe/Beethoven-Gruppe)

 Olympia-Gruppe (sport en beweging): basisoriëntatie in de ruimte, kennis van mogelijkheden en grenzen van het lichaam, fysieke consequenties van fysiek gedrag, bewustwording van omgeving door fysieke gewaarwordingen. Kinderen maken kennis met atletische sporten, balsporten en de nadruk ligt steeds op spel en plezier. Ze oefenen hun reactievermogen, conditie, werken in teamverband en snelheid. Ze leren ook goed voor hun lichaam te zorgen en gezond te eten.

    


Dingen die me opvielen:
  • De dag verloopt heel gestructureerd.
  • De opzet is heel schools, kinderen komen om te leren, eigenlijk is het een soort kleuterschool waarin ook aspecten van kinderdagopvang terug komen.
  • De kinderen worden voorbereid op een plaats en functie in de maatschappij.
  • Er is veel aandacht voor taalontwikkeling (Duits en Engels in gelijke mate).
  • De originele cultuur van ieder kind wordt gerespecteerd, er is veel aandacht voor etnische, religieuze en culturele diversiteit, ze proberen mee te doen aan belangrijke feestdagen uit alle aanwezige culturen.
  • Ieder kind is uniek en leert in zijn eigen tempo, het kind krijgt hier individuele supervisie bij.
  • Er wordt gewerkt naar het Berliner Bildungsprogramm, documentatie vindt plaats in het Sprachlerntagebuch.
  • Kleine kinderen mogen wel slapen (op matrasjes op de grond) maar liever niet omdat ze dan veel van het programma missen.