Posts tonen met het label ontwikkeling. Alle posts tonen
Posts tonen met het label ontwikkeling. Alle posts tonen

dinsdag 11 oktober 2011

JongensTalent

Jongens. Ze zijn drukker, impulsiever, brutaler, fysieker, meer roekeloos en 'moeilijker in bedwang te houden' dan meisjes. Dit zijn veel gehoorde opmerkingen en in een heel aantal gevallen komt het ook best dicht bij de waarheid. Het probleem, als ik het zo mag noemen, in de kinderopvang is dat dit bij de -veelal vrouwelijke- pedagogisch medewerkers niet zelden een negatieve connotatie heeft. Je kunt je afvragen of dat terecht is. Zijn deze eigenschappen die vaak bij jongens gezien worden lastig en ongewenst of hoort het bij hun ontwikkeling? Kunnen wij de manier waarop we tegen deze eigenschappen aan kijken zo veranderen dat we ons niet afvragen hoe we ze kunnen afleren of onderdrukken maar waarom ze bestaan en hoe we ze op een positieve manier kunnen gebruiken om jongens op een goede manier in hun ontwikkeling te stimuleren?

Tijdens het pedagogisch ontwikkeltraject hebben we speciaal stilgestaan bij jongensgedrag. En dan met name bij hoe dit gedrag in relatie staat met de mate waarin tegemoet gekomen wordt aan hun ontwikkelingsvragen. Waarom zijn ze zo beweeglijk en luidruchtig? Waarom gaan ze zo wild met de materialen om? Waarom kunnen ze niet een half uur stil zitten om 'iets moois' te kleien?

Op 1 oktober 2011 is er een website gelanceerd waarop dit onderwerp uitgebreid belicht wordt: http://www.jongenstalent.nl/

JongensTalent is een expertisecentrum voor de ontwikkeling van jongens en hun talenten. Hoewel de inhoud vooral gericht is op onderwijs, denk ik dat de website voor medewerkers in de kinderopvang ook veel nuttige informatie bevat. In de kinderopvang is nog steeds weinig begrip voor typisch jongensgedrag en om meer begrip voor hun gedrag te kweken, zul je moeten leren hun gedrag te begrijpen zodat je er adequaat mee om kunt gaan.

Een voorbeeld. Zet een jongen en een meisje aan tafel met een bonk klei. Het meisje zal al snel een concreet object boetseren terwijl de jongen experimenteert met het materiaal om te ontdekken wat hij er allemaal mee kan. Zet je er dan maar snel overheen dat hij geen aanstalten maakt om een mooie olifant te kleien want dat wil hij helemaal niet. Hij wil erop slaan, eraan trekken, het in stukjes hakken. Dát vindt hij leuk en is dat niet precies waar het om gaat? Wees vooral niet teleurgesteld want dat is niet bevorderlijk voor zijn zelfvertrouwen maar prijs hem om het feit dat hij deelneemt aan de activiteit en laat hem dat lekker op zijn eigen manier doen.

In de BSO is er naar mijn mening nog veel te winnen als het gaat om de omgang met jongens en hun gedrag. Neem dus vooral eens een kijkje op http://www.jongenstalent.nl/ en doe er je voordeel mee!


woensdag 5 oktober 2011

Pm'er bepaalt succes VVE-programma


De manier van lesgeven en de professionaliteit van de leerkracht of leidster zijn bepalend voor het succes van voor- en vroegschoolse educatieprogramma's (VVE). Dat blijkt uit onderzoek van de Universiteit Utrecht. Het onderzoek volgde 160 kinderen op voorscholen, vroegscholen en peuterspeelzalen in Utrecht.

Professionaliteit

De door de leidster of leerkracht begeleide ontwikkelingsstimulerende activiteiten in grote en kleine groepjes, bleken een positief effect te hebben op de ontwikkeling van de taalvaardigheid en de ontluikende lees- en rekenvaardigheid van kinderen met een risico op (taal)achterstanden. Opvallend hierbij is dat niet het werken met een erkend VVE-programma tot positieve resultaten leidt: de professionaliteit van de leidsters en leerkrachten is juist bepalend. Zij moeten goed zijn in het uitvoeren van ontwikkelingsstimulerende activiteiten en in de begeleiding van het spel van kinderen.

Goede mix

De onderzoekers stellen dat er in kleutergroepen waar kinderen met en zonder een risico op (taal)achterstanden samen een groep vormen, een positief effect te zien is. “Kinderen met een risico op (taal)achterstanden gaan in dit soort kleutergroepen sneller vooruit in de taal-, lees- en rekenvaardigheid dan kinderen in niet-gemengde kleutergroepen.” Bij peutergroepen is er op het gebied van rekenvaardigheid ook een positief effect gevonden van menging. Maar wat de taalvaardigheid en de ontluikende leesvaardigheid betreft, is er bij deze groep geen positief effect van menging waargenomen. Een mogelijke verklaring volgend De Haan: “Kleuters spelen en werken meer samen en praten daardoor meer met elkaar dan peuters; daardoor is het effect van menging bij kleuters mogelijk groter.”

VVE-programma

Een VVE-programma is een allesomvattend en erkend educatieprogramma waarbij de ontwikkeling van kinderen met een risico op (taal)achterstanden al vóór de basisschoolleeftijd zo veel mogelijk gestimuleerd wordt. Een afwisseling van begeleide ontwikkelingsstimulerende activiteiten in grote en kleine groepjes is kenmerkend voor een goed geïmplementeerd VVE-programma. In het onderzoek is geen effect gevonden van de implementatie van het VVE-programma. “Dit is vermoedelijk te verklaren door de uitvoering van het programma”, zo stelt De Haan. “De uitvoering was ten tijde van het onderzoek niet optimaal. Er was veel verlies aan effectieve leertijd, er waren te veel grote- in plaats van kleine-kring-activiteiten en te weinig begeleide activiteiten met een rijk taalaanbod.”

Aanbevelingen

Volgens Jeroen Kreijkamp, wethouder Onderwijs, helpt dit onderzoek de gemeente enorm verder. “Utrecht experimenteert en leert. Dit onderzoek bewijst dat als kinderen van laagopgeleide ouders samen in een groep zitten met kinderen van hoogopgeleide ouders, ze meer leren. Hiermee willen we dus doorgaan en per wijk kijken we hoe we een goede mix kunnen maken. Uit het onderzoek blijkt nogmaals dat de kwaliteit van de voor- en vroegschool valt of staat met de kwaliteit van de leidster en leerkracht. Samen met de partners van de Utrechtse Onderwijs Agenda investeren we extra in de professionaliteit van leidsters en leerkrachten. En de aanbeveling van het onderzoek om meer ontwikkelingsstimulerende activiteiten in kleine groepjes te begeleiden, is al opgepakt in het Utrechtse veld.”
Bron: Universiteit Utrecht; Volkskrant, 5 oktober

maandag 1 november 2010

Berlijntip: kinderportfolio

Idee
In Berlijn worden op verschillende Kitas kinderportfolio’s bijgehouden. Hierin wordt van alles verzameld dat samenhangt met de ontwikkeling van het kind. Denk bijvoorbeeld aan tekeningen, foto’s, opmerkingen van pm’ers, zelfgeschreven woordjes, citaten en kleine interviews met het kind. Ouders mogen ook werkjes of documenten aanleveren.

Het portfolio is niet zomaar een verzameling van producten en documenten. Aan de hand van ontwikkelingslijsten en observaties worden voor het kind ontwikkelingsdoelen gesteld. Dit kan bijvoorbeeld gaan om fijne motoriek of sociaal emotionele ontwikkeling. Zo wordt de individuele ontwikkelingsbehoefte van het kind duidelijk en kan hier gericht aandacht aan besteed worden. Daarnaast wordt rekening gehouden met de individuele interesses en vaardigheden van het kind.

       

Regelmatig wordt het portfolio doorgenomen en bekeken of de doelen behaald zijn of bijgesteld moeten worden. De ouders worden hierbij ook betrokken. Enerzijds om hen op de hoogte te stellen van de leerresultaten en het ontwikkelingstraject van hun kind, anderzijds om hen advies te geven over de manier waarop zij thuis aandacht aan de ontwikkelingsdoelen van hun kind kunnen schenken. Voor het kind zelf is het portfolio een middel om het kind zelfvertrouwen en inzicht in de eigen ontwikkeling te geven (‘kijk eens wat ik al gedaan heb en kan!’). Aan het eind van de Kita-periode gaat het portfolio mee naar de basisschool zodat de docent zo goed mogelijk kan aansluiten op het niveau van het kind.

 

Onderwerpen die in elk portfolio aan bod komen zijn bijvoorbeeld: ‘dit ben ik’, ‘dit vind ik leuk’, ‘dit kan ik al’, ‘mijn groep’, ‘mijn familie’, ‘zelfportret’, ‘dit wil ik leren’, ‘mijn kunstwerk’, ‘mijn experimenten’, ‘verhalen over mij’.

Toepassen
  • Observaties, foto’s en werkjes kunnen samengevoegd worden in één map die het kind aan het eind van zijn kdv- of bso-periode mee naar huis krijgt (in plaats van een afscheidsboek).
  • We richten ons voornamelijk op pedagogische doelen, de meer schoolse vaardigheden leren de kinderen op de kleuterschool. In Berlijn gaan de kinderen pas op hun zesde naar de basisschool waardoor de laatste twee jaar op de Kita een schoolser karakter hebben.
  • Het portfolio vormt een onderdeel van zichtbaar planmatig werken.

Wat heb je nodig?
  • Bijstelling takenpakket pm’er: tijd voor het opzetten en bijhouden van portfolio’s.
  • Fotoprinter of kleurenprinter.
  • Materialen als ordners, insteekhoezen en tabbladen.
  • Een budget voor zichtbaar planmatig werken.

zondag 31 oktober 2010

Gooi wat in mijn schoentje...

Nog even en de Sint is weer in het land. Kinderen zijn al druk bezig met het opstellen van uitgebreide verlanglijsten en de ene na de andere speelgoedcatalogus vol Sint-suggesties valt op de deurmat. De keuze is reuze maar hoe beslis je als hulp-Sint wat je je kinderen dit jaar cadeau doet?


Kinderen letten bij hun keuze voor speelgoed op heel andere dingen dan opvoeders. Zij willen bijvoorbeeld dat het groot is, dat het kan bewegen, dat het populair is bij leeftijdsgenootjes of dat er een stekker aan zit. Opvoeders vragen zich af of het speelgoed uitdagend en van goede kwaliteit is, een langere tijd kan blijven boeien, of kinderen er iets van kunnen leren en of het speelgoed de ontwikkeling stimuleert. Natuurlijk moet het cadeau ook bij de pedagogische ideeën van de betreffende hulp-Sint passen. Dat betekent dus zoeken naar compromissen en dat valt nog niet mee.

Je hoeft als opvoeder uiteraard niet zonder enige overweging in te gaan op de wensen van het kind maar houd er wel rekening mee. Daarnaast moet het speelgoed aansluiten bij de ontwikkelingsfase van het kind. Een dreumes beleeft bijvoorbeeld veel plezier aan sensopatisch spel, een kleuter vindt fantasiespel erg leuk, een kind dat in groep 3 zit gaat zich bezig houden met spelregels en kinderen in de bovenbouw hebben vaak hobby’s en zijn gericht op gemeenschappelijke interesses zoals sport, mode of muziek.

Er is nog iets waaraan je steun kunt hebben bij de keuze voor speelgoed. Marianne de Valck omschrijft vier verschillende speeltypen: rauwers, douwers, schouwers en bouwers. Je kunt het kind observeren (waar, hoe, waarmee en met wie speelt het kind?) en bepalen welk type hij is. De basismaterialen (zoals blokken, tekengerij, gezelschapsspelletjes, poppen en auto’s) kunnen dan worden aangevuld met het speelmateriaal dat bij dit type past. In het kinderopvangcentrum zorg je er natuurlijk voor dat er voor elk speeltype voldoende materiaal aanwezig is maar onthoud wel: overdaad schaadt. Als er teveel speelgoed is, verliest het kind het overzicht en kan hij niet kiezen. Zorg voor een veelzijdig maar bescheiden aanbod en wissel zo nu en dan af.

Rauwers zijn doeners, actieve kinderen. Ze hebben niet veel oog voor detail, zijn minder geduldig en kunnen zich maar kort op iets concentreren maar zijn wel makkelijk te enthousiasmeren. Zij willen speelgoed dat direct reactie geeft en materialen waarmee ze kunnen sjouwen, klimmen en geluiden maken. Het materiaal mag groot zijn en fysiek uitdagend. Suggesties: knikkerbaan, flipperkast, klauterobjecten, vingerverf, muziekinstrumenten.

Douwers zijn vindingrijk en en hebben het geduld om ergens langere tijd mee bezig te zijn. Ze lossen graag puzzels op, zijn leergierig en kunnen goed zelfstandig spelen. Een douwers is blij met speelgoed waar inzicht en strategie voor nodig zijn of speelgoed dat uitnodigt tot onderzoek en uitproberen. Suggesties: constructiemateriaal, puzzels, play mobile, geheugenspelletjes, loep, chemiedoos.

Schouwers zijn zintuiglijk ingesteld. Ze richten zich op details, houden van dromen en fantaseren en zijn vaak introvert. Schouwers zijn graag creatief bezig, maken gebruik van hun fijne motoriek en kunnen genieten van spelen met sensopatisch materiaal. Suggesties: kralen, verkleedspullen, teken- en schildermateriaal, poppen, caleidoscoop of prisma, speeltent of hut, prentenboeken.

Bouwers zijn echte ondernemers. Ze zijn praktisch ingesteld, sociaal vaardig en inventief. Bied hen dus materialen aan die ze op verschillende manieren kunnen gebruiken. Bouwers maken graag regels en afspraken en zijn resultaatgericht. Ook vinden ze het leuk om verhalen of ‘de grote mensenwereld’ na te spelen. Suggesties: kasteel of poppenhuis, spullen om op te treden, bouwplaten, goocheldoos, competitiespelletjes.

Natuurlijk is het niet de bedoeling om met deze typering het kind een stempel op te drukken. Een rauwer zal best wel eens dagdromen en een douwer zal het best eens leuk vinden om zich uit te leven op een trommel. Kinderen verschillen van elkaar, hebben hun eigen manier van spelen en ontdekken. Het belangrijkste is dat spelen leuk is.