maandag 7 februari 2011

de realiteit klopt op de deur, 7 februari

De stem van mijn vader klinkt gejaagd als hij me belt om half zes. Hij is zoals elke maandag in het dagverblijf geweest en wordt omstreeks die tijd naar huis gebracht.

"Ons mama is kwijt!" jammert hij. "Hoe kàn dat nu toch? Ik sta hier voor de voordeur, maar de sleutel steekt er van binnen op, ik kan niet binnen, het tuinpoortje is toe en daar heb ik geen sleutel van. Ik wil ons mama! Waar is die? Ik zit bij de buren, maar ik wil naar huis. En ik kan in mijn eigen huis niet binnen. Ik heb haar gsm al gebeld, maar ze pakt niet op. ooooooooo , oooooooo ooooo toch!"

Mijn straat ligt opgebroken, dus ik heb mijn auto niet hier, maar haast me zo er zo snel mogelijk met de fiets heen. Ver is het sowieso niet. Als ik binnenkom, staat ook de pedicure in de gang. " Ilske? Ik heb al gebeld maar er doet niemand open. Is er iets gebeurd? " "Dat weet ik nog niet, " zeg ik naar waarheid. "Mijn vader heeft me in paniek gebeld dat mijn moeder niet thuis is. Meer weet ik ook niet."

Bellen bij de buren. Mijn vader zit met wijdopengesperde ogen en met zijn arm over zijn hoofd gedrapeerd te panikeren. "Het is niet haar gewoonte om te laat te komen, hé, " zegt de buurvrouw. Dat kan ik alleen maar beamen. "Heb je mama gezien vandaag?" moet mijn vader weten. "Ik was tussen kwart over één en half die bij haar, we hebben samen gegeten," zeg ik. "Er was niks aan de hand, maar ze ging nog even fietsen omdat het zo'n mooi weer was."
"Bel het ziekenhuis maar en anders de politie," adviseert de buurvrouw. Ik zie mijn vader naar adem happen en denk bij mezelf; ik moet hem zo snel mogelijk in zijn eigen zetel krijgen. Ik heb wél de sleutel van het tuinpoortje, kan de achterdeur openmaken en dus ook de voordeur. Loods mijn vader naar zijn zetel. Hij vraagt verward naar zijn tasje, naar zijn jas, naar zijn zakdoek. Je kan zijn paniek haast ruiken. De pedicure die al al 25 jaar bij hem over de vloer komt, probeert hem mee tot bedaren te brengen.

Dat duurt zo'n kwartier en plots staat mijn moeder in de woonkamer, behangen met twee zware tassen om haar schouders en een ficus van zo'n meter tien in haar armen. Ze smijt de boodschappentassen hard tegen de grond en stevent op een hoek van de kamer af. Buurvrouw, pedicure, papa en ik staren haar aan alsof ze van Mars komt. Iedereen vraagt wel wat: "Waar was je? Waar kom je vandaan? Wat doe je? Voel je je wel ok?"

Mijn moeder ziet of hoort niks en sleurt een oude hoge ficus uit zijn bloempot in de hoek van de kamer. Honderden blaadjes regent het. En iedereen staat stomverbaasd. " Die plant moet weg... naar de groencontainer," zegt ze en loopt met het kadaver richting achterdeur. Iedereen die haar wil tegenhouden, buurvrouw, pedicure en ik worden ruw aan de kant geschoven. Toch slaag ik er in om haar die grote plant afhandig te maken. We dwingen haar in de zetel. Pas nu realiseert ze zich blijkbaar dat hier wel erg veel volk in haar woonkamer zit en dat iedereen ook bepaald vreemd naar haar kijkt.
"Wat doen jullie hier allemaal? Het is toch nog vroeg? Ik heb toch nog tijd? Hoe? Herman? JIJ bént al thuis? Hoe kan dat nu?"

Er zijn drie vrouwen die op dat moment vinden dat er een dokter moet komen. Mijn moeder ziet asgrauw, ademt snel en kijkt alsof ze heel andere dingen ziet dan wij. Mijn vader zit in de zetel en jammert stilletjes voor zich uit.

Maar ze wil van geen dokter weten. Gewoon even verkeerd op haar horloge gekeken, dat kan toch iedereen overkomen? Niemand spreekt dat tegen, maar iedereen zegt; je doet ook een beetje vreemd hoor? Gaat het wel? Ben je wel zeker? Jà, ze is zeker en mij wordt verweten dat ik boos kijk.

Ik sta op en veeg de regen aan bladeren bij elkaar. Haal haar een glas water. Zet koffie. Wil andermaal de dokter bellen. Het is niét nodig. Alles is ok!

Ik blijf een uurtje daar en merk dan dat mijn aanwezigheid als vreemd wordt bevonden. "Als het is om me op mijn nummer te zetten???? Ik doe nog altijd wat IK wil hé???" Ja, natuurlijk.... wat zou ik nu ànders kunnen denken?

Dus ik wandel naar huis. En bel haar dokter die sowieso morgen langskomt. Of hij haar eens extra wil onderzoeken. Want dat ik haar verward vond. "Dàt zal ik dan doen, hoor!" zegt hij en legt de hoorn neer. Er wordt mij geen woord uitleg gevraagd. Heel vreemd vind ik dat.

Het is de derde keer dat ik die dokter bel. En de derde keer dat ik de indruk heb dat hij er vanuit gaat dat ik spoken zie. Twee keer werd me dat ook woordelijk zo gesteld. Nu is er alleen dat ene zinnetje "Dàt zal ik dan doen, hoor!"

Jakkes. Het ging even "goed", daar...

Geen opmerkingen:

Een reactie posten