Ze liep graag door straten die ze niet kende. Bekeek onbekende gevels, mensen, reclamepanelen, lichtreclames, kruispunten, winkels... luisterde naar flarden van gesprekken en naar de geluiden van de stad. Maakte altijd veel foto's. Verdwaalde graag. Zag overal verhalen. "Moderne stadsnomade" noemde ze zich wel eens. Bestaat zoiets eigenlijk wel?
In haar eigen stad was na jaren rondslenteren "verdwalen" zowat onmogelijk geworden. Maar daarom had de trein haar vandaag ook van haar stad wég gebracht.
Ze nam helemaal niet vaak de trein. Maar soms moést het gewoon eens. Het gevoel overkwam haar af en toe onvoorspelbaar als een dwang waartegen het zinloos was zich te verweren. En dat deed ze dan ook niet. " De trein is altijd een beetje reizen", zij begreep de boodschap, stapte op en reed. Ze betreurde het dat die zin in spotjes zo wervend werd uitgesproken. Te goedkoop, te plàt, onecht. Zonder eerbied voor wat reizen écht was.
Al in de coupé van de trein had een licht gevoel van euforie bezit van haar genomen. Het was druk. Er zaten alleen maar mensen die ze nog nooit eerder ontmoet had. Ze hoorde verder naast Nederlands en Frans ook talen die ze niet kon thuisbrengen. Veelal Afrikaanse talen. Maar ze zag er verhalen in en sloeg al haar gedachten en ervaringen intens en in detail in zich op. En in haar notaboekje kribbelde ze al wat trefwoorden vooraleer de trein in Brussel binnenliep. Ze hield graag indrukken vast. Dat deed ze al jaren. Notaboekje was haar even vertrouwd als de dagelijkse ochtendkrant. Stiekem nam ze ook wat foto's van mensen op de trein. Die geamuseerd keken, of dodelijk verveeld, of die in slaap gevallen waren.
Uitstappen. Iedereen weet dan plots waarheen en heeft een doel. Zij niet. Terra incognita. Heerlijk. Lopen, kijken, observeren, verdwalen. Geen plan, alleen toeval. Trager lopen dan de mensen rondom haar. Minder gehaast. Nadrukkelijk kijkend naar alle details.
Mocht je haar vragen wat haar daar zo aan fascineerde, ze zou haar schouders hebben opgehaald en gekeken hebben alsof ze daar voor het eerst over moest gaan nadenken. Terwijl ze het antwoord eigenlijk wel wist. Maar ze vond dat niemand daar zaken mee had. Te bot om dat als antwoord te geven, realiseerde ze zich. Verwondering veinzen over die vraag was dus makkelijker, had ze voor zichzelf uitgemaakt. En dan nonchalant haar schouders ophalen, daar kwam ze altijd mee weg; "men" vond altijd wel dat dat bij haar paste. Het was een houding die ze zich, niet alleen bij deze vraag, eigen had gemaakt. Nonchalance was haar tweede natuur. Zo zag men dat toch.
Het was te koud om nog verder te lopen. Op de hoek was een café. Ze ging zelden, echt haast nooit alleen op café, maar vandaag haalde de nood om zich op te warmen na haar lange wandeling het van haar verlegenheid. Die was écht en niét geveinsd, maar dat geloofde niemand. Ze wist dat maar trok zich dat niet aan. Al van toen ze klein was, was ze dodelijk verlegen, maar dat maskeerde ze door veel te praten en haantje-de-voorste te willen spelen. Niet voor niets stond op haar schoolrapporten "Laat de andere kindjes ook eens wat zeggen in de klas." of " Jij moet wat minder babbelkous zijn hoor!" Jaren later zeiden vriendinnen haar vol verwondering:"Hoe jij er altijd in slaagt om op feestjes mannen aan de haak te slaan! Hoe doé je dat toch?" Ze was niet mooi en was al helemààl geen femme fatale, nee, maar ze was verlegen en vond het gemakkelijker en meer ontspannen op een feestje de hele avond met iemand die ze aantrekkelijk vond te staan zoenen dan in groep een gesprek te moeten voeren. Een man die wilde zoenen en er een beetje leuk uitzag was er op élk feestje. Zo eenvoudig was dat. En péch als hij meer wilde. Zij ging nadien toch alléén naar huis.
Niemand zou haar echter geloofd hebben, dus liet ze haar vriendinnen in de waan dat ze maar hoefde te knippen en dat mannen als bij bosjes voor haar vielen. De zielige muurbloem die zich uit onzekerheid en onbehagen in de armen van de eerste de beste man smijt, wilde ze in de ogen van haar vriendinnen immers niet zijn. Glamoureuze versierster dan maar. Tegen wil en dank. En het wàs natuurlijk ook nooit zomaar de eerste de beste...
Haar brillenglazen besloegen onmiddellijk toen de cafédeur achter haar dichtsloeg. Ze knoopte haar jas los en met het puntje van haar sjaal poetste ze haar bril schoon, die prompt weer aandampte toen ze hem opnieuw opzette. Ook zonder bril zag ze genoeg; alle tafeltjes waren bezet en op de enige kruk aan de toog die nog vrij was gaan zitten, dàt zou ze ook niet doen. Te dicht opeengepakt tussen mensen die ze niet kende. Ze zat overigens ook niet graag op een kruk. Liever blijven staan dan op een kruk gaan zitten. Stoel, rugleuning, stéun, grààg ja... géén kruk dus. Maar alléén staan in een café was wel totaal geen optie. Toch niet voor haar. Wat voor houding moet je je dan in godsnaam aanmeten?
Ook helemaal achterin geen plek? Ze baande zich een weg door een hoopje mensen die met hun glas in de hand stonden te praten. Nee, ook achterin géén plek.
Rechts van haar gebaarde een man met één simpel gebaar dat er aan zijn tafel nog wel een plaats vrij was. Krakkemikkig smal tuintafeltje was het, met twee versleten stoelen. Die niet bij elkaar pasten. Zo'n café was het hier. Maar dat had haar ook aangetrokken toen ze op de deur toe liep. Het oogde gezellig, precies door de rommeligheid. Zwart geschilderde planken vloer. Hier en daar zag je de oorspronkelijke houtkleur te voorschijn komen. Op plekken waar vaak mensen stonden of passeerden. De vloer kraakte. Dat hoorde je ook over het gepraat en de muziek heen. Dat vond ze huiselijk en gezellig. Grote groene varens stonden er ook. Daar hield ze van. Die stonden er op haar appartement thuis ook. Ze had best groene vingers.
Hij was nog geen veertig, zag ze. Las de krant, roerde in zijn koffie en rookte. Hij las de Morgen. Een Nederlandstalige krant dus. Hij keek niet geïnteresseerd naar haar, maar zag dat ze een plek zocht en bood haar de stoel tegenover hem aan. Het paste niet bij haar om op zo'n gebaar in te gaan. In alle andere gevallen zou ze hebben geglimlacht, haar hoofd hebben geschud en met een blik van "ik wil u niet storen" zou ze zijn doorgewandeld. Maar het was koud buiten vandaag. Erg koud. En ze zat niet graag op die kruk bij de toog. Hij las de krant. Bekeek haar al niet meer. En ze wilde érg graag een koffie. Ze had haar boek bij zich in haar handtas en zou naast de verwarming heerlijk warm zitten. Beetje lezen en dan weer verder de stad in.
Ze knikte hem toe en ging zitten. Verveeld dat hij haar in het Frans zou aanspreken en ze het in een gesprek niet zou redden, hoefde ze zich alvast niet te voelen. Hij las immers Nederlands. Hij plooide zijn krant dicht, stak zijn hand uit en zei "David". Hij had een warme, diepe stem. "Dag" zei ze ernstig en wat afwezig en keek naar de kaart.
Veel keuze hier. De dienster was er sneller dan verwacht. Ze wist dat veel mensen in zo'n geval zeggen : "Ik moet nog even kijken." Maar zij was daar te verlegen voor. Wilde niet dat dat meisje speciaal voor haar nog eens terug zou moeten komen. Cappuccino was dan altijd een veilige keuze. "Voor mij ook," zei David. Haar gsm knelde in haar broekzak nu ze neerzat. Ze wrikte hem eruit en legde hem op tafel.
Ze nam de man tegenover haar aan tafel op. Hij was knap. Dat had ze ook al gezien vooraleer ze hier ging zitten. Of je iemand knap vindt of niet, zou iedereen dat even snel hebben uitgemaakt als zij, vroeg ze zich wel eens af. Voor haar was dat meestal binnen de seconde zo klaar als een klontje. En het duurde meestal niet veel langer of ze had over iemand een oordeel klaar of hij of zij haar sympathiek voorkwam. Ze wist dat dat een van haar onaangename kanten was. En dat ze daar tamelijk onwrikbaar in was, in dat éérste oordeel. De eerste indruk. Maar ze suste zich met de idee dat haar "intuïtie" zoals ze dat graag noemde, ook vele malen feilloos had gewerkt. Ze zag zichzelf, met enige arrogantie, wel als een "mensenkenner". Op haar oordeel kon ze vertrouwen. Zonder meer. En dat dat arrogant was, dat wist ze, maar ze had er verder vrede mee. Kleine onhebbelijkheden heeft iedereen, ik kén de mijne, dacht ze dan.
Hij was lang, dat kon ze zien, ook al zat hij, en erg tenger. Halflang bruin haar. Ongekamd vanmorgen. En hij haalde ongetwijfeld vaak zijn handen door zijn haren. Zo'n nonchalant type leek hij haar wel. Hazelnootbruine ogen. Die stonden ernstig achter een zwart, strak montuur. Hoge jukbeenderen en een sterk geprononceerde kaak. Scherpe kin, dunne lippen. Geen snor of baardhaar te zien. Geschoren had hij zich dus wel, vanmorgen.
Boven zijn rechteroog zat een litteken en over zijn linkerwang liepen ook twee, bijna evenwijdige lijnen. Het droeg er alleen toe bij dat ze hem nog knapper ging vinden. Ze had een hekel aan perfectie en aan gladde mannen met een Colgate-smile. Ze viel op karakterkoppen, zei ze altijd. David hàd een karakterkop. Nu de zon binnenscheen, zag ze ook hier en daar een grijzend haar blinken. Maakte het geheel nog aantrekkelijker. Zo zou ze het haar vriendin straks beschrijven. En die zou lachen. Weer zo'n magere schrielhannes die je knap vond, zou haar vriendin zeggen.
"Twee cappuccino!" De dienster zette de kopjes behoedzaam op tafel en keek vragend hoe er afgerekend zou worden. Hij was hier duidelijk vaste klant, want met een knikje dat nauwelijks waarneembaar was, maar dat de dienster toch begreep en zij ook, gaf hij aan dat hij de cappuccino' s zou betalen. Dat deed ze uit principe eigenlijk niet; een man voor haar laten betalen. Maar ze gaf tot haar eigen verbazing geen krimp en liet zich de traktatie zonder enig gemor aanleunen. Hij schoof haar zijn stukje cake toe. "Ik ben er niet dol op," zei hij. Slanke, lange vingers. "Pianohanden," zou haar vader zeggen. Dat had ze altijd zo vreemd gevonden; haar vader had helemaal niks met piano's en gaf er niet vaak blijk van op veel details te letten, maar sierlijke handen, dat viel hém altijd precies zo op zoals zij er bij mensen op lette.
Hij droeg een ring, maar geen trouwring. Tenminste, het zàg er niet uit als een trouwring. Ze vond dat mooi, mannen met een ring. Elegant. "Zit je hier vaak op café?" vroeg ze. " Zowat elke dag wel een uurtje..." zei hij en blies de rook van zijn sigaret uit. Hij wilde weten wat zij hier deed. En ze vertelde hem dat ze graag op straat rondzwierf en gewoon "keek" wat zich daar afspeelde, dat ze zich er hele verhalen bij voorstelde in haar hoofd, wat er met die mensen gebeurde nadat ze de hoek waren omgeslagen en uit haar leven verdwenen. Maar dat het vandaag daar erg koud voor was. Ze lachte. Ze had zijn aandacht.
Hij luisterde en rookte. Ze hield niet van rokers. Roken stinkt. Maar hij vroeg niet of het stoorde en zij was er de vrouw niet naar om er een opmerking over te maken. Die sigaret paste overigens bij hem. Hij rookte sierlijk, maar niet verwijfd. "Mooi" vond ze dat. Ze kende nog wel een paar mensen waar ze dat bij dacht. Maar niet veel; bij de meesten vond ze het een vieze gewoonte, eentje die ze met een soort van gulzigheid associeerde die haar tegenstond. Maar je kan ook iemand stijlvol zien roken, zoals je iemand stijlvol kan zien eten, dat in tegenstelling tot iemand die zich over zijn bord laat heenzakken en als met een riek hooi naar binnen ziet stouwen, veelal nog luid smakkend ook. Ze hield wel van etiquette aan tafel.
"Stijlvol" was het woord dat op het eerste gezicht nog het meest bij David paste, vond ze. Hij had een zwarte coltrui aan en een tot op de draad versleten en afgewassen zwarte jeans. Leren jas, ook versleten, maar dat maakte de jas én de man alleen nog knapper. Naast zijn stoel had hij een tas staan met een lange riem. Op straat zou ze ongetwijfeld eens hebben omgekeken. Sexy vond ze dat, tengere mannen met een tas, schuin over hun schouder. Altijd weer.
Hij nam haar gsm vast , draaide hem speels een paar keer rond op tafel en klikte hem dan open. "Wat doe je?" vroeg ze. "Ik voer gewoon even mijn nummer in," zei hij. Ze liet hem begaan, zeer tot haar eigen verbazing. "Werk je hier in de buurt?" vroeg ze. Ja, zo bleek. Hij was kabinetsmedewerker bij een politica die zij van naam wel kende. Maar ze had zich kabinetsmedewerkers ànders voorgesteld. In strakke pakken, met das en saaie streepjeshemden. Met gepoetste, blinkende schoenen. Maar dat zei ze niet. Op dat moment geloofde ze David niet. Maar ook dat zei ze niet en ze liet hem verder vertellen. Dat ging vlot. Twee koffies lang. Hij praatte graag over zijn job en over zichzelf zonder dat het haar aan "opscheppen" deed denken. Helemaal geloven deed ze hem niet. Hij vertelde over zijn familie die niet in Brussel woonde en hoe hij hier was terechtgekomen. "Een gewoon, leuk, boeiend gesprek" zou ze het tot dusver gevonden hebben. Een meevaller, zo in een onbekend café. Tikkeltje ongewoon, dat wel.
En toen boog hij zich plots voorover en kuste haar snel op de mond. Ze had die plotse beweging niet zien aankomen en keek als een verongelijkt kind dat een standje kreeg, plots nukkig voor zich uit.
Hij zweeg en glimlachte alleen maar raadselachtig.
"Wàt?" beet ze hem toe. "Wààrom deed je dat?" Hij zweeg echter en zij bleef boos kijken. Niettemin kwam het niet in haar hoofd op om op te staan en als een gekwetste damsel in distress haar jas aan te trekken en zich uit de voeten te maken. Het leek of ze zich van haar stoel niet kon losmaken.
"Het is al te laat," zei hij traag; " je bént al verliefd op me. Ik heb het geproefd... nu net..."
"Je proefde koffie, méér niet," zei ze rustig en keek hem kalm aan. Ze voelde zich allesbehalve verliefd en was plots onaangenaam getroffen door zijn arrogantie. Die daagde haar anderzijds uit om te blijven zitten. Ze wilde wel eens zien waar dit zou heenvoeren. Verlegen voelde ze zich plots allesbehalve.
"O jawel," zei hij kalm en vouwde zijn handen als in slow motion samen "op het moment dat je binnenkwam, liet ik je al geen keus meer. Je ging toén al voor de bijl."
"Ik had het verschrikkelijk koud, er was geen plek, jij bood me een stoel aan, je zag er beleefd en geen creep uit, ik wou koffie.." zei ze met ijskoude blik. "Ik wou geen kus en stuurde het daar totaal niet op aan."
"Jij bent iemand die moet oppassen voor mannen als ik," zei hij en roerde in zijn koffie, alsof dat plots erg belangrijk was.
"Nog mooier," zei zij en het begrip "spottende glimlach" leek plots voor hààr alleen te zijn uitgevonden. "Zie ik er uit als een naïeve trut die nog nooit is buiten geweest misschien? Je vertelt me wat, je vraagt me wat, ik antwoord.. wij praatten...tot dusver was dat toch een héél gewoon gesprek? En dat mocht het voor mij blijven... gezellig, méér niet. Gewoon..."
"Maar ik ben nu eenmaal niet gewoon," zei hij en rolde een sigaret. Pràchtige handen, dacht ze op dat moment. Toch nog.
Zij zweeg. Daar had hij niet op gerekend.
Ze vouwde haar armen voor zich en keek hem uitdagender aan dan ze eigenlijk wel wilde.
"Ik ben een soort van krijger...en ik kan niet sterven," zei hij traag en trok langzaam zijn jas en trui naar boven.
Zij keek en verbaasde zich er maar weer eens over dat ze niet naar haar jas greep en richting station liep. Ze bleef zitten en staarde alleen maar. Uitdrukkingsloos. De verbazing voorbij.
Onder zijn zwarte coltrui droeg hij een T-shirt van onbestemde kleur. Zijn bovenlichaam zat onder de littekens, het ene naast het andere, er leken ook kogelgaten in zijn borst te zitten, voor zover zij enig idee had hoe kogelgaten er dan wel uit zagen.
Nog steeds vroeg zij niks, maar bleef onbewogen voor zich uitkijken. Ze realiseerde zich wel dat de gesprekken aan de tafeltjes links en rechts even verstomden, er gefluisterd werd en de gesprekken daarna weer hun gewone gang hernamen.
"Ik ben onsterfelijk," zei hij.
De deur van het café zwaaide open. Er kwam een jong stel binnen met een baby. Ze kwamen met open armen op David toegelopen. Hij omarmde hen alsof hij hen eeuwen niet gezien had en vroeg meteen of hij de baby mocht vasthouden. Het koppel was blij hem te zien, het baby'tje gleed meteen in zijn armen en hij had alleen oog voor haar. Vanuit de coulissen verschenen twee tabouretjes en de man en vrouw kwamen mee aan het tafeltje zitten. "Zou je ons je vriendin eens niet even voorstellen, David?" vroeg de man lacherig.
Hij stelde haar voor. Gaf voor haar al een tijdlang te kennen, gaf haar een naam, deed erg vertrouwelijk. Waarom zei ze nu niet: "Mensen, ik kén deze kerel helemaal niet en eigenlijk vind ik hem erg raar? En ik héét niet zo..."
Néé, ze praatte mee, alsof David en zij al een tijdlang goede vrienden waren, liet zich de baby in de armen drukken en vond het plots allemaal weer zo'n gewoon gesprek. Ze knikte lachend toen Raf en Elke vonden dat "we" maar snel weer eens met z'n vieren moesten afspreken, voor een etentje bij hen thuis of zo. Ze konden nu niet lang blijven.. pasgeboren kindje... paar maanden oud, daar ga je nu eenmaal niet mee in rokerige cafés zitten. Maar toen ze David bij het raam zagen zitten, moésten ze wel binnenkomen. Zo'n lieve gast... en met zo'n leuke vriendin nu! Hahahaha...
Het had haar op dat moment niet verwonderd als ze mannen in witte jassen had zien binnenstormen met dwangbuizen. Evenmin had ze opgekeken van een verborgen camera. Maar niets van dat alles gebeurde. Raf en Elke namen met veel zoenen afscheid en daar zat zij weer met de onsterfelijke krijger.
De deur was nauwelijks achter het koppel dichtgevallen of de toon van David, die gewoon lacherig en alledaags was geweest, toen zijn vrienden langskwamen, veranderde. Zijn gezicht verstrakte toen hij haar aankeek en zei: " Ik zei dus,... ik bén onsterfelijk..."
"Dat zijn we allemaal," antwoordde ze rustig. "In zoverre dat we voor anderen iets betekenen in hun leven en hen iets nalaten of zij ons iets nalaten, ben ik blij dat mensen, voor mij althans, onsterfelijk zijn."
"Je begrijpt het niet, " zei hij "ik heb het over iets héél anders. Hoe oud denk je dat ik ben?"
"38" antwoordde ze, zonder nadenken.
"Bon," zei hij... "spreek met mij af binnen tien jaar en je zal zien dat ik er nog precies, maar dan ook precies hetzelfde uit zal zien."
"Wàt een onzin! Iedereen wordt ouder. Iedereen gaat dood, jij net zo goed als ieder ander. Jij vindt het misschien leuk dat je nu even een spelletje kan gaan spelen, maar voor mij ligt hier de grens wel hoor... " Ze raakte geïrriteerd. Niet alleen door zijn gedrag, maar ook door haar kennelijke onvermogen een situatie in te schatten zoals ze was. Ze zat niet aan tafel met een leuke man, maar met een nutcase. En het had te lang geduurd vooraleer ze dat besefte. Het stàk haar. Het was haar nooit eerder overkomen.
"Ik heb een paar ongelukken gehad met mijn moto die niemand zou overleven, ik wel. Ik ben als soldaat neergeschoten op geheime missies en niemand van mijn patrouille heeft dat overleefd, ik wel. Ik kan niet dood."
Plots klinkt hij eerder vertwijfeld dan stoer, valt haar op.
"Als je meent wat je zegt, heb je hulp nodig," zegt ze zacht. "Het is absolute waanzin wat je daar raaskalt en je bent gék of je speelt een spelletje met me om te zien hoe ik reageer. Het was éérst leuk en ook met die vrienden van je was het een fijn gesprek, maar nu heb ik er genoeg van... geheime missies? Komaan hé man! Wààr dan wel? En ondertussen gewoon verder kabinetcheffen? Geen wonder dat dit land naar de haaien gaat!"
"Er zijn krijgers die me roepen, die me proberen te overtuigen om te sterven, ik hoor hen wel, maar ik weet dat ik het niet kan..." zegt hij. En een verward verhaal over een geheime missie in zwart Afrika, aanhoort ze nog. Helemaal. Waarom ze nog blijft, ze weet het niet...
De man die er uitziet als een intellectueel en voorgeeft een kabinetsmedewerker te zijn is dus goéd ziek in zijn hoofd, denkt ze en kijkt het café rond. Daar praat iedereen "gewoon" met elkaar. Daar ként de dienster David en komen er mensen binnen waar hij "gewoon" tegen praat. Wat een surrealistische toestand.
"Het liefst van al zou ik je nu meenemen naar mijn huis en in je armen mijn hele leven vertellen," zegt hij "maar dat gaan we niet doen zeker?"
"Nee," zegt zij en schudt vastbesloten haar hoofd. "Dàt gaan we niet doen."
Ze staat op en grijpt naar haar jas. Hij reikt hem haar galant aan. Ze lopen samen het café uit.
Ze kijkt hem nog even aan en stapt weg. Hij loopt de andere kant uit, maar draait zich na een paar stappen om en komt haar achterna gerend.
"Nog één ding... bél me niet hé? Ga je dat nummer nù deleten? Ik ben een gevaarlijk iemand voor jou. Jij bent een goed mens. Ik zie dat."
Ze haalt haar gsm uit haar handtas en bekijkt de lijst. Daar staat een nieuw nummer in met vermelding "David".
"Kijk, zegt ze "delete... gerustgesteld?"
Ze wandelt verder en kijkt niet meer om.
Ze neemt de trein naar huis. Haalt haar notaboekje boven en schrijft. Haar verhaal is niet klaar als de trein Antwerpen Centraal binnenrijdt. Ze rilt. Het is koud.
Enige gelijkenis met wie dan ook is vandaag .. hoe zal ik dat zeggen, toevallig, ja... "toevallig". Dat gebeurt hier anders vrijwel nooit.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten